Het verlies van de hofnar (2)

Deel 2

 

HET HOF HEEFT DOOR DE TIJD HEEN veel vormen gekend. In de middeleeuwen bestond het voornamelijk uit de monarch; een koning of koningin. Deze koning of koningin zocht zijn bemiddeling bij een kleine groep vertrouwelingen, waaronder de hofnar. Het grootste deel van de zogenaamde hofraad maakte tevens deel uit van de familie van de monarch zelf en zij hadden bovendien vaak veel land. Eigendom maakte machtig, land was nodig voor voedsel en definieerde ook de hoeveelheid belastinggeld die er binnenkwam. Dit maakte vervolgens oorlogen mogelijk, die monarchen in die tijd maar al te graag voerden. Over het algemeen kun je stellen dat door de tijd heen die groep met bemiddelaars alleen maar is uitgebreid. Een van de belangrijkste aspecten voor een functionerende autocratie is bovendien het hebben van een zo klein mogelijke groep bemiddelaars of belanghebbenden. 1 Door middel van pressie van het volk, dat zichzelf ongehoord voelde, zoals revoluties, opstanden maar ook door externe invasies is die groep door de tijd heen echter exponentieel gegroeid. Daarnaast is er ook volksvertegenwoordiging geëist. De grote macht die een kleine groep ooit had is daarmee verspreid over een grotere groep waardoor het voor een enkeling veel moeilijker is geworden om de macht te grijpen.

Het hof van vandaag de dag zou je best goed kunnen symboliseren aan de hand van de Tweede Kamer. In dit ‘hof’ bestaat de ‘hofraad’ uit een relatief grote groep ‘edelen’ (150 in totaal) die onderdeel zijn van een aantal ‘families’ waarvan een deel hun loyaliteit aan een ‘koning’ heeft gezworen, en een deel dat juist zijn aanspraak op de troon ontkent. Al deze edelen vertegenwoordigen een stukje land, een groepje mensen. Op dit toneel doen zich bijna dagelijks belangrijke problemen voor, er moet bovendien een land geregeerd worden waar ontzettend veel verschillende belangen spelen. Voornamelijk wanneer veel belangen worden vertegenwoordigd, wordt besturen moeilijker (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de autocratie). Kooplieden doen hun verhaal en beïnvloeden de keuzes van de edelen. Landsgrenzen spelen een grote rol bij allianties en hier en daar wordt er iemand ‘uitgehuwd’ aan een andere edele en ontstaan nieuwe families. Een cruciaal onderdeel dat op dit toneel centraal staat is dat de belangen van het ‘volk’ leidend zijn. Dat is een prachtige legitimering voor wat we best wel kunnen beschouwen als ‘gekke’ situaties, maar die komen niet voort uit de hofnar, die is er namelijk niet meer, gekke kapsels voldoen niet. In tegenstelling tot vroeger, waarbij macht en rijkdom een van de belangrijkste motieven waren voor de ‘wil tot macht’ zou dit volk vertegenwoordigende aspect een cruciale verandering moeten zijn. Het is daarom belangrijk om een onderscheid te maken tussen motieven die leidend zijn in beleidsvorming, en de rollen van de actoren die daaraan bijdragen.

In dit hof dicteert de rationaliteit en wie met feiten komt heeft absoluut de grootste kans op zegens; de vraag is dan natuurlijk wat er bedoeld wordt met deze ‘feiten’. Het is naïef om te stellen dat feiten in de politiek niet politiek gekleurd zijn. Toch lopen er een aantal ‘edelen’ rond die de gekste voorstellen doen, met de gekste gedachtes in het rond slingeren en ronduit idiote dingen stellen (vaak pas bij nader inzien). Soms doen ze dit zo goed dat feit en fictie bijna niet te onderscheiden zijn: het worden werkelijke ficties. Zouden deze ‘gekke edelen’ dan de hofnarren van nu zijn? We moeten niet vergeten dat de hofnar van vroeger niet van edele afkomst was en bovendien nooit aanspraak zou kunnen maken op een positie in de hofraad, laat staan op de troon – dit is een groot verschil met edelen die zich gedragen als een hofnar. Omdat de hofnar, als we de traditie volgen, nooit op zo’n positie terecht zou kunnen komen en deze dus noodzakelijkerwijs niet kán bereiken. Daarom moet hij of zij zijn motivatie om af en toe scherp en kritisch te zijn ergens anders vandaan halen: de ethiek? Het volk? Het algemeen welzijn? Een situatie waarin je zonder belangen die jezelf betreffen toch meespeelt in het politieke toneel, plus de subversiviteit die de hofnar typeert zouden tegenwoordig kunnen resulteren in hele interessante situaties en daarnaast zou het de belangen van de andere ‘edelen’ heel snel ontbloten. Stel dus dat ik bijvoorbeeld niet ‘geholpen’ was met therapie, en mijn oude ‘andere’ denkwijzen nog meer evident zouden zijn: zou deze visie, deze manier van denken, dan niet een goed tegenwicht kunnen bieden aan de polemiek van de politiek? En zou dit ook voor de politici een manier kunnen zijn om hun eigen dogma’s te herzien? Stel je voor.

 

‘…Ondanks dat gelach beschouwd wordt als een triviaal iets en de emotie vaak verwekt wordt door een hansworst, acteur of gek, heeft het toch een zekere heerszuchtige kracht die op zichzelf heel moeilijk te weerstaan is…Het keert vaak het tij bij zaken van groot belang.’

Quintilian, Institutio Oratoria, boek zes

 

Voordat dit tot stand zou kunnen komen is het belangrijk dat we in staat zijn om de ware gek te onderscheiden van een edele die gek speelt. Allereerst kan dat door als een archeoloog te onderzoeken waar de belangen liggen van deze schijngek. Wat is iemands afkomst? Op welke manier, en vooral waarom, is hij of zij terecht gekomen in het hof? Om welke redenen is hij of zij onderdeel van de hofraad? Ik vraag me af of hedendaagse politici weleens gevraagd wordt waarom zij de politiek in zijn gegaan. Niemand gaat zomaar de politiek in: het is per definitie gegrond op het hebben van een ‘metafysisch’ idee van goed of kwaad, los van alle actualiteiten die ons om de oren razen. Belangen, agenda’s en voornamelijk doelen spelen een fundamentele rol in de vorm die gekozen of gebruikt wordt om politiek te bedrijven. Daarop is aan te merken dat edelen die gebruik maken van de bijna populistische ‘gekte’ om een doel(macht) te bereiken, een fundamenteel andere rol hebben dan de hofnar die zonder een wil naar macht ín het hof, toch zijn functie heeft. In het geval van de edele heiligt het doel de middelen. De hofnar zou eerder te scharen zijn onder een meer Kantiaanse plichtethiek: de ethische regel die je hanteert definieert wat goed is, het gaat hier niet direct om daden en gevolgen en al helemaal niet om (eigen) belangen en agenda. Kant stelt dat een goede toets of iets goed of slecht is de vraag os of je een eigen regel algemeen geldend zou kunnen maken. Dit lijkt echter tegenstrijdig omdat we al eerder zagen dat juist het denken van verlichtingsfilosofen als Kant de hofnar heeft verbannen.

William Merritt Chase, Keying Up

 

Desalniettemin is het een heel nobel motief om je verantwoordelijk te voelen voor de welvaart en welzijn van het volk – zelfs voor een schijngek – dat is bovendien per definiete een van de kernbegrippen van ons politieke stelsel. Stel dat ieder lid van de hofraad met dit beginsel de politiek is ingestapt, hoe komt het dan dat alle anderen die anders denken, maar toch vanuit hetzelfde principe denken, uit de weg moeten worden geruimd (vroeger letterlijk, nu figuurlijk) om te zorgen dat de protagonist zelf op de troon beland? De vraag is dan natuurlijk of het wel zo is dat iedereen die de politiek ingaat zich met dit democratische beginsel vereenzelvigt? Of het is iemand die bereid is zijn eigen normen en waarden te plaatsen boven die van anderen. Nietzsche, een Duitse filosoof uit de negentiende eeuw, beweerde dat alles in dit universum gedreven wordt door de ‘wil naar macht’. Dit klinkt al snel als een soort dictator-virus, maar Nietzsche benadert het meer als een soort levensenergie die in werkelijk alles in onze wereld zit; de constant voortdurende zoektocht naar een plekje voor jezelf in dit universum. Zoals in een bos in de lente honderden mogelijke toekomstige eikenbomen opkomen en zij met elkaar moeten ‘strijden’ voor een plekje met het meeste licht. De zaailingen die verliezen zijn gedoemd in de schaduw van de grote winnaars te staan of om te sterven door een gebrek aan voedingsstoffen. Hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, het plaatst alles en iedereen in een hiërarchie die altijd fluïde zou moeten zijn; iedereen heeft een kans op een plekje.

Toch belandt het ene zaadje op een betere plek dan de ander en krijgt het daarmee ook een voorsprong of een achterstand. Nietzsche geeft aan dat de werkelijkheid nooit stopt met ‘worden’ of ‘gebeuren’. Elke levenskracht wil zich, aldus Nietzsche, zo versterken dat andere krachten zich moeten onderwerpen. De consequentie van dit principe, wat tevens perfect in lijn staat met de secularisering van de ‘anderen’ die Foucault benoemt, is iets wat we een meritocratie kunnen noemen. Dit is een hypothetische samenlevingsvorm waarin iedereen absoluut ‘gelijk’ is en dezelfde kansen heeft, of zou moeten hebben: alles wat er gebeurt in je leven, alles wat je bent, is daarmee een gevolg van jezelf. Ben je arm? Niet hard genoeg gewerkt. Ben je gek? Dan ken je je plaats niet. Deze wil naar macht, die onlosmakelijk verbonden is aan onze natuur, determineert de opties en bewegingsruimte die we op systematisch niveau als mens kennen. Het is nou eenmaal zo dat ‘sommigen’ in positie anders zijn dan anderen, als een eikel die toevallig op een bepaalde plek valt. Maar dat we anderen ‘nou eenmaal’ in een andere positie plaatsen (als een aangeplant bos) is een keuze, en niet een gegeven. De reden dat ze daardoor benadeeld zouden zijn ligt niet, absoluut niet, in henzelf, maar in de positie die hen wordt toegekend in het systeem, door het hof. Mijn autisme is toevallig, ik heb er niet voor gekozen. Dat ik door het erkennen van dat feit in een positie wordt geplaatst is een keuze die voor mij wordt gemaakt, en ik word daar naar behandeld.

 

‘Gekte is de verkeerde straf voor een verkeerde oplossing, maar het brengt door zijn eigen deugt het echte probleem aan het licht, welke echt opgelost kan worden.’

Michel Foucault, Madness and Civilization: A History of Insanity in the Age of Reason, 1964

 

Zo kent ieder hof zijn eigen ‘wil naar macht’, zoals dat voor bomen zonlicht is. Voor politici is dat onderdeel zijn van een kabinet, of zelfs minister-president worden. Voor de gek in ons is het bevrijd willen worden uit het ‘gekkenhuis’. Voor de cabaretier is het grappig gevonden willen worden. Foucault definieert nog een ander gevolg van de rationalisering van onze samenleving, een gevolg dat meer dan logisch is bij secularisering, namelijk dat alle maatschappelijke en wetenschappelijke niches discours op zichzelf worden, waarin ieder een eigen specialisme heeft. De hersenchirurg kan niet bevraagd worden door de kaakchirurg, terwijl deze stukjes van het menselijk lichaam niet meer dan vijftien centimeter van elkaar af liggen. En toch zijn ze zo anders. Alles verdient zo een plekje in de boekenkast van het leven, alleen is het grote risico aldus Foucault, dat de verschillende discours elkaar niet meer kunnen bevragen. De gek zit in het gekkenhuis, zijn of haar discours, en is daar heer en meester, maar in de politiek heeft hij of zij absoluut geen inspraak meer. Hetzelfde kun je zeggen over de cabaretier, zij kunnen de meest absurde, subversieve en soms meer dan redelijke dingen zeggen, maar uitsluitend omdat het podium dat hen gegeven is geldt als vrijplaats, waarbinnen alles mag en het daardoor in principe daar buiten niks betekent. Wat een cabaretier veel gelach oplevert in het theater biedt hem op straat een pak slaag.

Wil naar macht gaat dus om het streven naar een plek, niet over de manier waarop we iets positie bieden in het geheel, als een soort boekenkast: in dat geval heb je het meer over het aanleggen van bossen. En we zien hoe dat gaat, net zo structureel en gedetermineerd als de inrichting van de samenleving na de verlichting. Maar wat nou als we wat meer ruimte zouden overlaten, iets meer viering zouden geven, en mensen lieten streven naar hun eigen plek in het geheel? Zou je dan betwijfelen dat het bos dat ontstaat van mindere kwaliteit is als een aangeplante bos? Of zou dat bos misschien wel mooier, beter en meer divers zijn? Zou de natuurlijke val van de ene boom in dat geval niet meer voedingsbodem bieden aan de andere boom en veel andere en nieuwe organismen, dan wanneer we deze boom simpelweg weghalen? Zou een bos niet veel sterker staan als het zijn eigen biotoop kan ontwikkelen dan wanneer wij dat stelselmatig zelf in de hand zouden willen houden?

Kortom, zou ons politieke leven niet veel meer divers zijn, als we wat meer viering zouden geven aan de posities die we mensen toekennen? Als we de schijnbaar en daarmee noodzakelijk functieloze participant een positie bieden in het politieke debat? Laten we een eerste stap zetten in deze richting, laten we de hofnar zijn plek in het politieke bos teruggeven!


  1.  Mesquita, Bruce Bueno De, and Alastair Smith. The Dictator’s Handbook: Why Bad Behavior Is Almost Always Good Politics. Paperback ed. New York: PublicAffairs, 2011. Dit principe vormt de kern van het boek.

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *