Het verlies van de hofnar (1)

Deel 1

Op het gebied van vrijheid leven we in de meest vrije tijd die we als westerse mens waarschijnlijk ooit hebben gekend. We mogen bijna overal gaan en staan, we mogen bijna alles zeggen en we mogen bovendien ook denken wat we willen. In de middeleeuwen moest je het niet wagen om je meerdere te bevragen, of daar überhaupt verdacht van te worden, dan was de kans meer dan groot dat je jouw hoofd verloor. En dat gebeurde bij mensen die ze respecteerden, minder gelukkigen werden opgehangen of gevierendeeld (een touw aan elk van je ledematen, met aan het andere eind van het touw een paard dat hard op z’n billen werd geslagen). Zelfs als lid van de adel werd het niet getolereerd om je kritisch te uiten over de koning of koningin. Deze tijd werd gekenmerkt door het hoogtij van de hiërarchie waarin de machthebbers écht almachtig waren en het rationeel denken nog onder moest doen aan diezelfde macht.

Dit staat recht tegenover elk principe van onze tijd: de koning is een van de meest bespotte mannen van ons land. Bovendien is het inmiddels een recht dat je je mag uiten, over zo goed als alles wat wils. Degene met het grootste en meest ‘rechtvaardige’ rationele vermogen heeft net zo veel kans ‘almachtig’ te worden als degene waarbij dat recht ooit aangeboren was. Vanuit het nu teruggekeken kan ik me goed voorstellen dat die onbespreekbare positie van de almachtige vorst voor hem of haar zelf ook niet altijd even makkelijk moet zijn geweest. Ongeacht de inhoudelijke waarde van iemands uitspraak werd er van je als koning(in) geacht dat je diegene zou veroordelen, a la ‘de koning(in) spreek je niet tegen, noch wijs je hem of haar de les’ – en dat uitsluitend vanwege zijn of haar sociale klasse en status. Toch hadden de vorsten van die tijd daar een slimme ‘troefkaart’ voor bedacht, een oplossing die wij in ons sociale en politieke leven volledig missen: de hofnar.

 

‘… de koning waardeerde hem zo dat hij niks deed zonder eerst om Archy’s advies te vragen. Hij kon nauwelijks een grotere macht hebben, zelfs als hij regent van het koninkrijk zou zijn benoemd.’

Auteur onbekend, The Ass Race: or the secret history of Archy Armstrong, fool to king Charles I (1740)

 

Dan denk je misschien, een hofnar? Kunstjes? Verhalen? Zingen? De clown uithangen? Dat klopt enerzijds wel. Anderzijds was het voornamelijk de positie van de hofnar die erg bijzonder was. Zo was het in de middeleeuwen, in bijna de gehele wereld, erg populair om een nar in je hof te hebben. Niet louter voor entertainment maar vooral voor kritische reflectie, uiteraard met een knipoog. Een taak die niemand anders dan de hofnar mocht verrichten zonder dat hij of zij, nogmaals, het risico liep zijn of haar hoofd te verliezen. Toen in 1340 de Franse vloot fenomenaal werd verslagen door de Engelsen, durfde niemand de koning op de hoogte te brengen van zijn nederlaag. Behalve, de hofnar! Hij ging naar de troonzaal en vertelde de koning dat de Engelse zeevaarders: “niet eens het lef hadden om het water in te springen zoals onze dappere Franse soldaten!” 1

 

‘Het grote geheim van de succesvolle gek is natuurlijk dat hij helemaal geen gek ís.’

Isaac Asimov, Guide to Shakespeare (1970)

 

Grofweg werden er in deze tijd twee typen hofnarren geclassificeerd: de ‘normale’ gek en de hoog intelligente gek. Dit is nogal zwart-wit gezegd: meestal liepen deze twee namelijk feilloos in elkaar over. Daarnaast waren gekken in die tijd in twee posities te verdelen: positieloos (geen rechten), en gekken met een positie, zoals de hofnar. Deze bijzondere positie is te danken aan het feit dat in deze tijd de gek beschouwd werd als iemand die aangeraakt was door god. Dit zou hem of haar de bijzondere gave hebben gegeven om alles méér dan helder te zien. Tegenwoordig is de gek een heel oncomfortabel iemand om over te praten, laat staan om mee om te gaan. In de laatste decennia zijn meerdere termen voor de benaming van de gek in het leven geroepen en later weer van de tafel geveegd omdat ze beledigend zouden zijn. Wanneer er op deze manier gedacht wordt verkeerd de gek per definitie in een benadeelde positie; ‘ze’ krijgen de kans niet eens meer. Bovendien wordt er man en macht losgemaakt om ze te begeleiden in een geforceerde en onmogelijke ‘re’-integratie in onze (normatieve) samenleving. Dit staat in groot contrast met de positie van de gek in de middeleeuwen. De gek was noodzakelijk in het sociale, politieke stelsel en hij had zelfs een bevoordeelde positie: die van de hofnar. Zelfs de gek die geen positie had was onderdeel van het normale straatbeeld, en werd ook geaccepteerd als onderdeel van de samenleving 2. Natuurlijk kan ik niet zeggen hoe goed men het in die tijd had – vooral niet in relatie tot de positie van de gek in onze tijd. Maar je zou kunnen stellen dat leven aan het hof van een vorst in die tijd gelijk stond aan een levenslang verblijf in een vijfsterrenresort in onze tijd, vooral in contrast met de miserabele kwaliteit van het leven van de gemiddelde middeleeuwer: die bovendien het comfort van het hof mogelijk moest maken, vaak zelfs als veredelde slaven. Daarnaast speelt de noodzaak naar het leiden van een zinvol leven in iedereen een rol, ook voor de gek. Werd de gek gedwongen hofnar te worden of vriendelijk verzoekt? De vraag is dan alleen door wie wordt bepaald wat een zinvol leven is en voor wie dat leven dan zinvol moet zijn. Kortom, wat was het motief van de vorst om een hofnar in dienst te nemen, en had de hofnar hier zelf inspraak in? Werd de gek gedwongen om onderdeel uit te maken van het hof, of uitgenodigd, als een soort vacature?

 

‘We hebben allemaal weleens gezien hoe een toepasselijke en op het juiste ogenblik gemaakte grap zelfs de meest akelige tirannen kan beïnvloeden…De meest gewelddadige tirannen tolereren hun clowns en gekken, zelfs terwijl zij hen vaak het middelpunt van openlijke beledigingen maken.’

Desiderius Erasmus, Lof der Zotheid (1511)

 

Nu gebruik ik het woord ‘gek’ heel stellig, en is er een goede kans dat u inmiddels een levendig beeld ontwikkeld van een wilde man, dansend op een marmeren vloer. Hij loenst vast een beetje en zijn woorden zijn waarschijnlijk ook niet zo goed te verstaan. Het is makkelijker om een stereotype op te bouwen dan om er een af te bouwen, of in ieder geval aan te vullen. Laten we de ‘gek’ daarom definiëren. Allereerst is het goed om te noemen dat ondanks het opkomen en vergaan van verschillende psychische aandoeningen de gek in de middeleeuwen nog steeds dezelfde gek is als in onze tijd. Vooral de positie, behandeling en benaming van een gek is wat veranderd is, zoals ik al noemde bij de middeleeuwse definitie van de gek. Over het algemeen wordt er naar de gek gekeken als iemand die zich niet kan houden aan de sociale conventies van de tijd door een gemis, dan wel lichamelijk en/of geestelijk, aan het vermogen om zich te verhouden aan ‘onze’ norm. Kortom iemand die niet ‘normaal’ is. Dan zou je zeggen, in het hoogtij van het individualisme, dat ‘normaal’ zijn helemaal niet de norm is: iedereen is toch uniek? Dat is zeker waar, maar ‘normaal zijn’ en voldoen aan de ‘norm’ hebben niet per se dezelfde betekenis. ’Normaal’ is een subjectief begrip dat we in ‘volgens [in overeenstemming met] de regel’ formuleren. 3 Iedereen geeft dus een eigen invulling aan wat hij of zij wel al dan niet normaal vindt binnen de kaders van de ‘norm’. Vaak verhoudt deze invulling zich aan de persoon zelf: hoe ík ben, dat is normaal. De ‘norm’ is een begrip dat is afgeleid van het Latijnse ‘norma’ wat ‘maatstaf van de wettige toestand’  betekent. 4

Zoals het woord al impliceert, is het een geschreven of ongeschreven afspraak die wij met z’n allen door de tijd heen hebben geconstrueerd over hoe we met onszelf, elkaar en de wereld omgaan. De ‘norm’ heeft daarmee ook een auteur. Echter bestaat deze niet uit één persoon maar meer uit een soort katalyse van de mensen van die tijd en haar belangrijke figuren en dogma’s. Aan de hand van die norm formuleren wij onze eigen ideeën over het normale. Je zou dus kunnen zeggen dat het niet de schuld is van de gek dat hij of zij niet kan integreren in de samenleving, maar die van ons, de samenleving. Onze norm is zo rigide dat er geen marge meer is voor excentriciteit. Er is dus helemaal geen ruimte binnen onze norm voor die wilde man in onze fantasie (of diep in ons), met zijn gekke gekleurde kleding en belletjes aan zijn muts. Met rigide bedoel ik niet beperkt of te krap. In deze tijd kun je aan alles wel een label hangen en dat is op zichzelf niet erg. Sterker, vier het! Het zijn vooral de consequenties van dat label en de verwachtingen die mensen daar aan koppelen, kortom hoe rigide we met de norm omgaan, dat gevaarlijk kan zijn. Dat iemand het syndroom van Down heeft, is helemaal oké, maar behandelen we diegene als iemand met het syndroom van Down, dan ontstaat er een psychologische hiërarchie: waarin de mentale en fysieke capaciteiten van iemand ondergeschikt worden gemaakt aan de definitie van de norm.

Juist doordat deze ‘gek’, de hofnar, niet voldeed aan de norm, had hij of zij een blik die niemand anders had, een grensverleggende blik. Dan kun je je afvragen wat het verschil is tussen de hofnar van toen en de gemiddelde mens van nu; de hofnar was de enige die zich openlijk mocht uiten zonder dramatische consequenties en dat mag iedereen nu toch ook? Dus iedereen is dan toch een soort van hofnar? Toch had de hofnar nog iets anders, hij of zij had namelijk niet alleen het privilege om zich te mogen uiten maar voornamelijk om zich te uiten zonder zich te houden aan de norm van zijn tijd: zonder de etiquetten, regels, omgangsvormen en sociale conventies in acht te hoeven nemen – en dat eigenlijk alleen om iedereen af en toe de waarheid te vertellen of alles op scherp te zetten. Wanneer de norm van onze tijd vrijheid van meningsuiting is, houden wij onszelf prima aan de norm. Bovendien wordt dat ook van ons verwacht. Er wordt van ons verwacht om over alles een mening te hebben. Hier kunnen de ‘vorsten’ van onze tijd prima op anticiperen: soms is er zelfs zo’n grote veelheid aan verschillende meningen dat het tot ‘tja, iedereen vindt toch wat anders’ wordt gereduceerd. Een relativistisch argument zet nooit aan tot ethische ontwikkeling: daarvoor is een vorm van dialectiek nodig. In dit geval is het juist de vorst die het hoogste woord kan (en mag) nemen. De hofnar had in tegenstelling tot alle andere mensen het privilege om te zeggen wat niemand wilde horen, maar wat toch gehoord moest worden: wat niemand zei maar wat iedereen ‘dacht’.

Toch heeft de gek zijn bijzonder hoge positie in het sociale en politieke leven verloren, ondanks zijn of haar vermogen om met een ‘abnormale’ blik meer dan de realiteit te zien. Het moment dat de hofnar zijn positie in het hof verloor en een nar werd was tijdens de verlichting, vanaf de 16e en voornamelijk rond de 17e eeuw. 5 De tijd waarin het rationele denken onder denkers als Kant en Spinoza zijn keerpunt vond. De rede, die in het denken systematiek en eenheid aanbracht werd sinds toen voor het eerst in iedereen geaccepteerd en gepropageerd als voor iedereen toegankelijk. Dit sluit feilloos aan bij het verdwijnen van de gek in het sociale leven. Sterker nog, het rationalisme had nooit kunnen ontstaan zonder het afzonderen van de gek (secularisering); die dacht per slot van rekening niet systematisch en in eenheid, maar in subversiviteit en chaos. Hij bood het alternatief dat niemand anders durfde te opperen. Bovendien verloor de hofnar niet alleen zijn hof, maar werd hij sinds de verlichting ook afgezonderd en geïsoleerd in gekkenhuizen, vaak zelfs achter ‘tralies’. 6 Dat vond voor de verlichting nog niet plaats, de gek die geen hofnar was maakte gewoon deel uit van het dagelijkse straatbeeld: waarom zou je de gek überhaupt willen opsluiten? De Franse filosoof Michel Foucault, wie historisch onderzoek deed naar krankzinnigheid, benoemde dat het rationalisme nooit had kunnen ontstaan zonder de secularisering van de gek: “We zeggen altijd dat we anderen verwelkomd hebben, zelfs al hun afwijkingen en gekkigheden, toch ik vraag me af of dat geen een illusie is…om waanzin te kennen moest het namelijk eerst uitgesloten worden…”, [als een lab rat.] “…En niet alleen dat, we hebben ze veracht, uitgebuit en tot zwijgen gebracht, men bracht waanzin tot zwijgen en kende haar toen…” [en zo wordt er een norm geschapen.] “…Daarom is mijn hypothese dat de universaliteit van onze kennis is verkregen door middel van uitsluiting, verbod, weigering en verwerping, door middel van een stuk wreedheid ten opzichte van de werkelijkheid”. Met andere woorden: de norm gaat dus helemaal niet over de werkelijkheid, maar om het afzonderen van wat wij niet vinden dat past in ons idee van de werkelijkheid. 7

Toch heeft het rationeel denken ons ook ontzettend veel gebracht. Het heeft structuur aangebracht in het denken en het mogelijk gemaakt dat wij, alle verschillende individuen, sommige dingen hetzelfde zien, bijvoorbeeld het idee van de ‘gek’. Zonder die ontwikkeling was een merendeel van de wetenschappen nooit tot bloei gekomen en was de hedendaagse democratie nooit mogelijk geweest. Toch heeft het rationele denken ook een keerzijde. Het risico bestaat dat het denken in ‘waarheden’ een dogma wordt waardoor je geen alternatieven meer kunt zien en daardoor de systemen en structuren waar we in leven en denken wel erg definitief worden. In het kort is hier de vraag of iets wat wij beschouwen als waarheid een waarheid is, of een benaderingswijze daartoe. Op die manier ontstaan er kunstmatige grenzen in ons denken, die bepalen hoe en wat we wel en niet ‘mogen’ en kunnen denken. Bijvoorbeeld een student in de wiskundeles, die vraagt waarom één plus één nou eigenlijk twee is. De docent beantwoordt de vraag met dat het nou eenmaal zo is, waarom het zo is doet er niet toe, de student moet gewoon begrijpen dát het zo is: het is een afspraak die we met z’n allen hebben gemaakt. Wanneer de student het niet kan of wil begrijpen, loopt hij of zij het risico gelopen dom genoemd te worden of zelfs gek, of krijgt een ander stempel zoals ADD, ADHD of autisme. Terwijl de vragen van de student uitsluitend voortkomen uit een kritische en subversieve blik, een zoektocht naar ‘waarom’ de dingen zo zijn zoals ze zijn: wordt daaraan niet voldaan, dan krijg je ‘gekke’ situaties – onbegrip.

Ik kan hier zelf getuigenis voor afleggen. Dit thema is te reduceren tot het (niet bestaande) hof van mijn basisschool, in het kleine Ottersum. Het is namelijk zo dat ik veel gepest ben: ik was gek, deed gek, reageerde gek, zag er gek uit en zei zo nu en dan ook wel degelijk gekke dingen: ik was de gek zonder hof op deze basisschool. Ik had het gevoel dat ik niet begrepen werd, mijn gedrag had geen positie in het gedrag van de groep. Ikzelf had echter niet het gevoel dat ik iets raars deed. Achteraf ingezien voldeed ik niet aan het denk- en handelingspatroon van mijn klasgenoten, niet omdat ik het niveau niet had, maar omdat ik sommige dingen simpelweg op een andere manier deed. Na twee jaar therapie, omdat ik ‘het’ anders deed, werd mijn blinddoek afgenomen: ik zou autisme hebben. In die jaren therapie is mij geleerd om mijn eigen onvermogen te begrijpen op een normatieve manier. In tegenstelling tot het vinden van een omgangsvorm met de ‘pestkoppen’, moest ik nu begrijpen waarom die ‘pestkoppen’ mij gepest hadden: de schuld lag in mijn ‘aangeboren’ gekkigheid, dus ik moest er iets aan doen. Dat heb ik ook gedaan, het verhaal loopt goed af, maar het toont perfect aan op welke manier ons denken is ingericht. Mijn autisme is dus een handicap, net zoals mijn dyslexie, mijn slechte zicht en slechte been en dat is allemaal mijn ‘schuld’. Ik vermijd bij officiële momenten, als een toelating voor een opleiding, dit soort dingen te noemen, uit de angst dat ik in een dispositie word geplaatst: de kleinste dingen worden geseculariseerd. Iedereen is tegen pesten, maar iedereen is ook voor normaal zijn. Deze twee kunnen nooit samengaan.

Dit soort dogma’s zijn exact wat de hofnar in de middeleeuwen doorbrak, mede door zijn gekheid en daarmee zijn intelligentie, maar vooral door zijn positie. Door de stelselmatige introductie van de rede verloor (en verliest) het subjectief denken zijn waardigheid aan het determinisme van de rationaliteit. Als een enkeling iets anders denkt dan de meerderheid verliest hij of zij snel haar motief aan het gewicht van de groep, maar wat nou als die enkeling wel degelijk iets interessants te zeggen heeft? Iets puurs of iets dat oprecht is? Iets wat niet vervuild is door de dogma’s en etiketten van deze tijd? Zelfs als die persoon geclassificeerd is als gek? Hoe vindt die persoon het platform voor zijn of haar gedachten nu er geen hof meer is waar hij of zij in is opgenomen? Moeten wij de verloren nar zijn hof weer bieden?

De hofnar is verdwenen en de gek heeft geen plaats meer in ons sociale en politieke leven. Ik probeer dan ook zo veel mogelijk mijn gekkigheden te verbergen, in angst voor de consequenties en eigenlijk is dat heel erg. Wie neemt de hofnar’s functie nu op zich? Is de gek niet juist de persoon die ons af en toe op scherp kan zetten? En juist door zijn gemis aan rationeel vermogen ons laat denken over dingen waar we nooit over nadenken en waar we misschien niet eens meer over kunnen nadenken? Wat zou er gebeuren als wij die gek (in onszelf) weer wat meer toelaten? En hem of haar door middel van een knipoog de pijnlijke waarheid bloot laten geven, vanuit een denkwijze die niet direct synchroon loopt met de meerderheid van denkenden? Misschien moeten we de gekken van onze tijd niet direct wegwimpelen als nutteloos gek maar juist vieren, posities bieden als adviseurs in de politiek en het bedrijfsleven als tegenwicht op het rationeel denken, om op die manier tot alternatieve omgangs- en samenlevingsvormen te komen. Om dat te kunnen bereiken moeten we ons focussen op het hof, het verloren thuis van de hofnar: wat is dat en hoe werkt het? Is er een plek voor de nar of zouden we die opnieuw kunnen introduceren? Per slot van rekening is het hof het gene dat de hofnar heeft uigebannen.

 

‘Een gek denkt dat hij wijs is, maar een wijze man weet dat hij een gek is’

William Shakespeare

 

Lees hier het tweede deel van mijn essay.


  1. Otto, Beatrice K (2001). Fools Are Everywhere: The Court Jester Around the World. University of Chicago Press. p. 113.

  2. Michel Foucault beschrijft dit in zijn boek Geschiedenis van de waanzin. Amsterdam: Boom uitgevers. 2013.

  3. “Definitie ‘normaal'”. Van Dale. 2016. Geraadpleegd op 08 december, 2016. http://www.vandale.nl/opzoeken?pattern=normaal&lang=nn.

  4. “Etymologie ‘norm’”. etymologiebank.nl. 2009. Geraadpleegd op 8 december, 2016. http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/norm.

  5. Meerdere bronnen verwijzen naar deze tijd: al verschilt het per land en werelddeel. Zo is de verlichting voornamelijk een westerse praktijk. Tevens kan ik geen concrete originele bron vinden die dit bevestigd, daarom zal ik het zelf beargumenteren.

  6. Een interessant fenomeen dat Foucault beschrijft is de ‘Ship of Fools’: op een gegeven moment ontstond er een tendens om gekken te mijden uit steden, hier deed het gekkenschip zijn intrede. Hier werden gekken naar verbannen, gedoemd om eindeloos langs alle steden te varen waar ze niet meer welkom waren.

  7. Een onderdeel van een interview met Michel Foucault door Fons Elders afgenomen in 1971 en uitgezonden op de Nederlandse TV, https://www.youtube.com/watch?v=qzoOhhh4aJg – 30-08-2016

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *