Ongelijke gelijkheid, idealisme uit een ei

Ik zeg vaak en graag dat ik zelf uit een ei kom, omdat ik vrij beschermd ben opgegroeid. Homoseksualiteit, meerdere huidskleuren en andere verschillen waren volstrekt normaal. In mijn kinderogen bevonden zich geen waardeoordelen. En misschien ben ik stiekem nog steeds herstellende van het feit dat verschillen normaal vinden helemaal niet zo normaal bleek.

We worden natuurlijk allemaal geïndoctrineerd door de normen en waarden in onze opvoeding. Op dezelfde manier waarop ik mij totaal niet kan inleven in het gedachtegoed van homohaat, kan een ander zich waarschijnlijk niet inleven in mijn gebrek aan homohaat. Dit zijn twee kanten van dezelfde medaille. Door de vanzelfsprekende gelijkheid uit mijn opvoeding kan ik soms voorbij gaan aan ongelijkheden. Omdat ik nog steeds niet begrijp dat iemand in ongelijkheid denkt, is het moeilijk om te begrijpen dat de werkelijkheid ongelijk is.

Hierom ben ik gefascineerd door de volgende stelling: ‘Ik zie geen huidskleur.’ Een goedbedoelde maar naïeve, beledigende stelling. Waarom? Het ontkennen van verschil in huidskleur impliceert hiërarchie in huidskleur. Waarom zou je anders een overduidelijk verschil ontkennen? Maar dat is voor de hand liggend. Het gaat hier om een ongelijke gelijkheid, om een idealisme wat uit een ei komt. Ongelijke gelijkheid is een ontkenning van gevoelens en van realiteit, vanuit een idealistisch oogpunt. De goedbedoelde insteek wordt juist kwetsend, de beoogde ondersteuning haalt juist onderuit. Het gaat hier om een verschil tussen een struisvogel idealisme – door naïviteit wereldvreemd – en een pragmatisch idealisme dat oplossingsgezind is.

Eigenlijk gaat het er niet om of mijn studiegenote in de trein echt wordt aangestaard omdat zij een andere etniciteit heeft, een andere huidskleur dan de starende. Het gaat erom dat zij dit zo voelt en ervaart, dat zij haar etniciteit als oorzaak van het staren verwacht. De ongelijkheid schuilt in de onzekerheid over de gelijkheid in waardering tussen ongelijke mensen – die schaduwzijde.

Mijn idealisme heeft dus struisvogeltrekjes. Doordat ik zo graag gelijkheid wil zien, lijk ik mijn kop in het zand te steken voor ongelijkheid. Mijn idealisme leidt onbewust tot ontkenning. En tot boosheid. Ik vertoon dit trekje niet alleen betreffende ongelijkheid in huidskleur maar ook ten opzichte van feminisme en defensie.

Ik ben te zelfverzekerd over mijn vrouw-zijn om me te associëren met bepaalde vormen van feminisme: ik vind het bijvoorbeeld een regelrechte belediging dat topfuncties gereguleerd aan vrouwen toegewezen zouden moeten worden. Ik ben toch verdomme wel capabel genoeg om aangenomen te worden om een andere reden dan mijn vrouwelijke geslacht? Boos dus. Terwijl de realiteit laat zien dat dergelijke maatregelen wel nodig zijn om vrouwen in die topfuncties te krijgen. Omdat vrouwen nu – op dit moment – de problemen ondervinden van een glazen plafond.

Eenzelfde verhaal voltrekt zich wanneer het om defensie gaat. Vredesmissies: ik zie alleen maar opleggen, machtsmisbruik, geweld, angst en imperialisme. Ik associeer het bestaan van defensie bijvoorbeeld enorm met de gun policy in Amerika: angst met angst beantwoorden. Twee regelingen die nodig blijken, maar voor mij alleen de slechtheid van de mens benadrukken.

Vredesmissies en een vrouwenquotum komen op mij over als een gevolg van de menselijke behoefte om te onderdrukken omwille van angst. Ik verwacht dat die angstige bang is zijn of haar eigen slechtheid in de ander te herkennen: de angst dat de ander slecht in zin heeft en nooit zal of wil veranderen. Dat maakt me dus boos.

De boosheid die ik voel is een reactie op symptoombestrijding. Vredesmissies en een vrouwenquotum bestrijden geen opvattingen, maar alleen de uitingen van die opvattingen. In het geval van defensie worden bijvoorbeeld niet de oorzaken van gewelddadigheid en angst zelf aangepakt, maar gewelddadigheid wordt ‘neergeslagen’. Bij het feminisme ligt dit net een beetje anders. Door constant te benoemen dat je feminist bent, ga je voorbij aan de vanzelfsprekendheid van de gelijkheid tussen man en vrouw. Met de bestrijding van de gevolgen van bepaalde gedachtes ga je voorbij aan de noodzaak de gedachtes zelf te veranderen. En hoe groot is de kans dat gedachtes snel veranderen als de noodzaak al is verdwenen door onderdrukking, regulatie?

Ik lijk nu misschien een idealist van het struisvogelsoort, maar ik wil terug naar de kern van de problematiek. De basis van de problemen ligt in de gedachtes, niet in de handelingen. Ga je met symptoombestrijding daarom niet je doel voorbij? Accepteer je niet gewoon stiekem de wijde verspreiding van een probleem wanneer je dit met instituten en regels tegengaat? Je doorbreekt hiermee in ieder geval geen daadwerkelijke gedachtepatronen.

De realiteit toont aan dat bepaalde regelingen nodig zijn, dat de problemen bestaan. Al zijn die problemen het gevolg van denkpatronen die ik zelf niet ken, verwerp en belachelijk vind, ze zijn er. We moeten er mee omgaan. Preventief en repressief worden regels opgesteld tegen racisme, geweld, discriminatie. Maar hoe kan het anders? Heeft het zin om na te denken over de oorzaken van die regels en instituten wanneer je geen alternatieve oplossing kan bieden? Hoe moeten we omgaan met de slechtheid van de mens? Is er een andere manier om deze problemen in de kern te veranderen?

Tegenovergesteld aan regeltjes en repressie staat vrijheid. Misschien is het mogelijk dat we denkpatronen daadwerkelijk kunnen doorbreken door losser te denken. Als we vrij denken, vrij laten, laten zijn, en in zachtheid en veranderlijkheid leven. We kunnen al deze dingen verbinden met verwantschap. Verwantschap is denken in verscheidenheid. Het vrije denken met het belang van verbondenheid vooropgesteld.

Stel dat we daadwerkelijk verwant zouden denken, stel dat het lukt. Dat we vanuit verwantschap gaan kijken naar gelijkheid en vrijheid. Als dat een beginpunt wordt, dan zouden die instituten en die angsten misschien daadwerkelijk kunnen wegvallen. Het klinkt als een ware utopie, ik weet het. Als kind kende ik het en jij misschien; toen moest je wel onbevooroordeeld nieuwe dingen benaderen. Je kende ze in geen enkele vorm en had daarom ook geen verwachting. Kinderen zien verschillen maar geven geen waardeoordeel. Die waardeoordelen komen later, met angst en vanuit de maatschappij. Laten we leven als die jonge kinderen: verwant en idealistisch. Misschien maakt het ons net zo vreemd als het tekenfiguur Calimero. Maar kunnen we niet allemaal een Calimero zijn, worden of blijven? Voor wie moeten wij de eieren waaruit we komen volledig afpellen? Is wereldvreemdheid niet ook goed, als die vervreemding ons terugbrengt naar een kinderlijk onbevooroordeeld zijn?

Verwantschap kan mijn struisvogel idealisme omzetten en mijn boosheid temperen. Verwant en dus vrij denken is de sleutel tot gelijke gelijkheid. In plaats van mijn kop in het zand te steken, houd ik, gelijkend aan Calimero, rustig dat halve ei op mijn hoofd. Vreemd, vrij en verwant.

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *