De macht van taal in een neoliberale wereld: Economisch discours, amorele politiek en de ‘vluchtelingencrisis’

Dit is een verhaal over ons taalgebruik en een samenleving die steeds verder evolueert naar een amorele maatschappij, waarin ethiek en waarden minder en minder plaats krijgen. Het is een verhaal over markteconomie, moraliteit, macht, vluchtelingen, woordkeuze en verwantschap. De afloop is nog ongeschreven, die laat ik over aan u en iedereen. Volgt u mee? Ik begin bij het begin.

In den beginne was er het woord. God sprak: ‘laat er licht zijn’, en er was licht. In het Bijbelverhaal schiep God de wereld niet met zijn handen of verbeelding: hij schiep de wereld door haar uit te spreken. De dingen worden werkelijkheid door hen te verwoorden. Woorden bezitten een scheppend vermogen. Dat is waarschijnlijk de grootste waarheid die we uit de Genesis kunnen afleiden. Want zo ging het niet alleen in de Bijbel, zo gaat het vandaag de dag nog altijd. Wij proberen onze realiteit niet alleen te vatten door middel van woorden, we construeren haar ook aan de hand van onze taal. We gebruiken een geheel van taal dat samenvalt met ons wereldbeeld. We doen dat in ons dagelijkse leven meestal onbewust, zonder er over na te denken waarom we sommige termen gebruiken en andere niet. Taal is dan ook letterlijk vanzelfsprekend.

Het belang van een discours

“Words! Mere words! How terrible they were! How clear, and vivid, and cruel! One could not escape from them. (..) Mere words! Was there anything so real as words?” 1

Taalgebruik is nooit neutraal. Taal heeft de bedoeling de dingen voor te stellen in een bredere context. Taal is waardegeladen. Dat is het geval op persoonlijk vlak, maar evengoed op het collectieve niveau. De Franse historicus en filosoof Michel Foucault noemde een geheel van talige voorstellingen (uitdrukkingen, woorden en manieren van formuleren) dat voorkomt binnen een bepaalde groep op een bepaald moment een discours. 2 Foucault toonde aan dat een bepaalde groep door middel van een bepaald discours haar werkelijkheid of wereldbeeld structureert, en daardoor ook haar normen en waarden vastlegt. Door middel van een discours construeren wij onze waarheid. Discours heeft te maken met machtsstructuren: het dominante discours binnen een samenleving (of kleinere context) zal de ideeën weerspiegelen van de heersende elite en zal er ook op gericht zijn om die elite in stand te houden. Een bepaald discours kan daarom dominant zijn in één tijdsperiode, maar in ongenade vallen op een ander moment in de geschiedenis.

“Herhaal iets lang genoeg en het zal waarheid worden.” Deze uitspraak is al zo vaak herhaald dat ze intussen tot een treffend bewijs van zichzelf is uitgegroeid. Maar deze zin toont natuurlijk vooral aan hoe belangrijk een discours is voor onze visie op de werkelijkheid. Door iets herhaaldelijk uit te spreken, wordt het gezegde een self-fulfilling prophecy. Discours is dus niet alleen een kind van de heersende tijdsgeest, maar staat ook mee aan de wieg van een nieuw wereldbeeld. Dat wordt bedoeld met de stelling dat taalgebruik nooit onschuldig is: taal en discours construeren onze werkelijkheid, omdat ze op een bijna geniepige, onopvallende manier onze opvattingen gaan vormgeven.

Kijk bijvoorbeeld naar Margareth Thatchers’ steeds opnieuw (en tot vervelens toe) herhaalde ‘there is no alternative’. Het gevolg is dat een groot deel van de mensen vandaag intussen gelooft dat er werkelijk geen alternatief is voor ons falende kapitalistische systeem. Deze vaak herhaalde stelling is uitgegroeid van een mening naar een ‘absolute waarheid’. Het mag geen wonder heten dat zo weinig mensen die met alternatieven durven komen nog serieus worden genomen (in elk geval op macro-niveau), wanneer we het algemeen voor waar aannemen dat er geen alternatief meer bestaat (na de val van het communisme eind jaren ’80 is immers ook die laatste wanhopige uitweg zo goed als vervlogen).

Het is wel duidelijk dat het dominante discours in een samenleving sterk samenhangt met de heersende waarden en opvattingen. Door middel van discoursanalyse 3 kunnen we dus ook een beeld krijgen op wat de dominante waarheid is binnen een samenleving op een bepaald moment. Dit kan erg nuttig zijn voor historisch onderzoek, maar natuurlijk ook voor de analyse van onze huidige tijd. Sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw bevinden we ons in een historische periode die ook wel het ‘neoliberalisme’ wordt genoemd. Het neoliberale discours viert nu hoogtij, en voor haar concrete invulling ging ze te leen bij het economische taalgebruik.

Het economische discours

Je bent m’n favoriete human resource’, hoorde ik onlangs iemand zeggen. Het was een grapje natuurlijk, in de trant van het Engelse economische discours dat onze jobomschrijvingen, vacatures en databanken overspoelt. Het is een symptoom van deze tijd: (potentiële) werknemers zijn human resources, leerkrachten zijn geen juffen en meesters meer maar coaches, een bedrijfsleider is niet meer de baas of ‘chef’ maar de Chief Executive Officer, en een kassierster is nu een sales and retail assistant. Allemaal mooiere leenwoorden om de saaie werkelijkheid voor te stellen.

Het gaat verder dan dat. Ook in ons alledaagse taalgebruik zijn stelselmatig uitdrukkingen uit het bedrijfsleven binnengeslopen. We moeten niet alleen investeren in onze toekomst, maar ook in onze vriendschappen en relaties, kinderen zijn ons maatschappelijk kapitaal, en we moeten onze vakantie naar beste vermogen invullen. Het onderwijs moet geoptimaliseerd worden, cultuur moet opleveren en onze ziekenhuizen worden zorgbedrijven. Daarbovenop komt dat je je eigen tijd moet managen en wanneer je naar een sollicitatie gaat (of een kamer wil huren) moet je jezelf vooral verkopen. Deze termen zijn intussen zo ingebakken in onze spreektaal dat we ze haast niet meer opmerken. Onschuldig, zou je denken? Denk dan even terug aan Foucault en zijn discoursanalyse. Ons taalgebruik zegt veel over onze tijdsgeest en haar prioriteiten.

Het enge aan zo’n discours is dat je het moeilijk herkent als je er middenin zit. 4 Niemand van ons ontsnapt volledige aan de heersende tijdsgeest. We zijn allen zowat opgegroeid met het neoliberale discours. Taal evolueert bijna onmerkbaar mee met haar maatschappelijke context. Dit woordgebruik is symptomatisch voor onze huidige samenleving, die we anno 2016 (onder andere aan de hand van dit discours) een ‘marktsamenleving’ zouden kunnen noemen. Omdat een discours rechtstreeks verbonden is met de heersende waarheid en waarden in een samenleving, is het belangrijk om even in te gaan op de waarden van de neoliberale marktsamenleving.

De amorele markt

“Veel mensen doen het gewoon zonder moraal, die zijn conformistisch en staan liever niet stil bij dit soort kwesties. Anderen compartiseren het: ze hebben wel degelijk een moraal, maar niet op het werk. (..) Daar voelden ze zich happy bij. Topman Blankfein van Goldman Sachs wees op de rol van banken in de economie en zei: We’re doing God’s work. Iemand moet de zwakke dieren opruimen. Banken die niet goed functioneren, verdienen het te sneuvelen.” 5

In 2011 verhuisde de Nederlandse journalist en antropoloog Joris Luyendijk naar Londen om er zich onder te dompelen in het bankiersmilieu. Hij schreef er een boek 6 over zijn bevindingen vanuit antropologisch perspectief. In bovenvermeld artikel van Trouw heeft hij het over de ‘amorele markt’, waarin mensen uit de bankensector dingen doen die compleet tegen hun eigen waarden indruisen, gewoon omdat het kan volgens de wet. Hiermee vat hij de essentie van de markteconomie: er gelden geen waarden of normen, enkel de wet van de sterkste is belangrijk in bankiersland. Mensen zoals topman Blankfein legitimeren hun handelen met stellingen die ontleend zijn aan het sociaaldarwinisme, 7 zoals ‘wie niet sterk genoeg is, verdient het om opgelicht of weggeconcurreerd te worden’. De vrije markt is de jungle, het is er ieder voor zich.

Luyendijk’s bevindingen sluiten aan bij de ‘wetten’ van de vrije markteconomie. Die vertrekt namelijk vanuit het idee dat de vrije markt een zelfregulerend systeem is, waarbij de besten sowieso zullen overleven en de slechten eruit gefilterd worden. Met andere woorden: ga je failliet, dan is het je eigen schuld, je had maar beter moeten investeren of andere keuzes moeten maken. De markteconomie is in dat opzicht a-moreel. Ze kent geen ethische waarden of moraal. Haar enige normen zijn productie, efficiëntie, groei en winst. Waarde wordt door de markt herleid tot geldwaarde, morele waarde zal de neoliberale economie worst wezen. Binnen de (ruime) grenzen van de wet (inclusief alle achterpoortjes), die er in steeds grotere mate op gericht is om de markteconomie te beschermen, is alles toegelaten. Luyendijk zegt daarover:

“Het fundamentele van alle waardensystemen is altijd geweest: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. In het amorele systeem vraagt niemand zich af of hij zelf het derivaat zou kopen dat hij anderen aanbiedt. Zolang het maar mag van de wet.”

Het is een moeilijke vraag of morele waarden nodig zijn binnen de logica van de markteconomie. Daar wil ik in dit artikel ook niet verder op ingaan. Wat ik hier wil aantonen, is dat deze morele waarden ook op andere domeinen van de samenleving verdwijnen, daar waar ze wél broodnodig zijn. Onze maatschappij is onder invloed van het neoliberalisme meer en meer aan het evolueren naar een marktsamenleving waarin de markteconomie en haar amorele logica zowat alle domeinen van het leven gaan inpalmen. Dit blijkt niet alleen uit het dominante discours, maar ook uit talloze voorbeelden uit de realiteit op de meest uiteenlopende domeinen. Cultuur, media, sociale zaken en politiek worden steeds vaker beheerst door de logica van de markt. TV-programma’s draaien meer om kijkcijfers dan om inhoud, online krantenartikels krijgen gruwelijk irrelevante koppen om clicks (en reclame-opbrengsten) te genereren, datingsites vragen geld voor succesvolle matches en onderwijsinstellingen moeten belachelijke doelstellingen halen om gefinancierd te worden (tot in het kleuteronderwijs aan toe). De gevolgen van een doorgedreven marktlogica overspoelen onze hele samenleving: onze arbeidsorganisatie, privéleven en op de duur gewoon ons hele denken. Hoe is het zover kunnen komen?

Van markteconomie naar marktsamenleving

“De moraal is verdacht geworden. Er wordt nog maar over één ding gemoraliseerd en dat is dat we vooral niet mogen moraliseren. Maar de afwezigheid van het gesprek over wie we willen zijn, leidt tot versplintering.” 8

Het economisch kapitalisme bestaat al sinds de middeleeuwen en sloeg haar vleugels uit in de zestiende eeuw, toen de Europese expansie naar Amerika en de Indiën plotseling een wereldmarkt opende en het zilver uit Bolivië de hang naar exotische kruiden uit Java, zijde uit China en thee uit India bekostigde. Het kapitalisme was mede verantwoordelijk voor de industriële revolutie in Europa en later in de rest van de wereld. Onder het economisch kapitalisme verwierf de arbeidersbeweging in de loop van de 20ste eeuw een heleboel nieuwe rechten, werden mensen steeds welvarender en nam de ongelijkheid (althans in het Westen) een tijdlang af met de groei van de middenklasse. Het economisch kapitalisme, met haar vrije markteconomie, hoefde toen althans geen groot probleem te vormen voor ons welzijn, gelijkheid of de ethische fundamenten van onze maatschappij.

Maar in de jaren ’80 van de 20ste eeuw kwam er een nieuwe dominante ideologische stroming, die bekend staat als het neoliberalisme. Het neoliberalisme haalt zogenaamd de mosterd bij het liberale gedachtegoed, maar met een groot verschil: waar voor de klassieke liberalen politiek, religie, ethiek en economie strikt gescheiden moeten blijven, maakt het neoliberalisme de politiek en maatschappij ondergeschikt aan het economische systeem. 9 Dit leidde tot wat men vandaag de hegemonie van de vrije markt noemt. Alles, maar dan ook alles wordt gekaapt door en is ondergeschikt aan de markt. Het neoliberalisme luidde de omschakeling in van een markteconomie naar een marktsamenleving.

De invloed van het neoliberalisme op onze maatschappij is fenomenaal op alle vlakken, en helaas niet voor iedereen positief. Onder invloed van het neoliberalisme neemt de ongelijkheid wereldwijd toe en wordt er overal gemorreld aan sociale rechten zoals pensioenen en uitkeringen. Ik wil hier vooral focussen op de gevolgen die de neoliberale marktideologie heeft voor onze ethische waarden. Een ideologie die de mosterd haalt bij een amoreel systeem, kan zelf ook weinig anders dan een weinig moreel standpunt verkondigen.

Inderdaad ligt in de marktsamenleving de nadruk op woorden als ‘succesvol’ of (economisch) ‘nuttig’ in plaats van ‘goed’ of ‘juist’. Onproductiviteit (lees: werkloosheid of spaarzaamheid) is de grootste zonde en falen de grootste angst. Hierbij komt dat consumeren bijna een plicht is geworden, met een focusverschuiving van materieel bezit naar ervaringen tijdens de laatste jaren. Daarbij komt dat het financiële discours een grote nadruk op cijfers en meetbaarheid legt. Alles moet ‘objectief’ in cijfers uitgedrukt en vergeleken kunnen worden. Wat bij dit alles erg opvalt is het functionaliteitsdenken: alles wat geen directe geldwaarde of meetbare voordelen heeft, wordt overbodig. Recente politieke beslissingen inzake cultuursubsidies en onderwijs 10 zijn hier duidelijk symptomatisch voor. Binnen zo’n functionaliteitsdenken is nog weinig plaats voor menselijkheid, voor menselijke waarheid of waarden.

Een ander probleem is dat de marktsamenleving een ‘gezonde concurrentie’ promoot, die al snel uitgroeit tot regelrecht wantrouwen en vereenzaming. ‘Homo homini lupus’ lijkt opnieuw het motto te zijn in een wereld waarin iedereen telkens weer een concurrent van iedereen is. De markteconomie kent geen mededogen of barmhartigheid. Waarden zoals ‘help uw medemens’ of ‘solidariteit’ klinken wollig en irrelevant in een context waarbij we vooral zo veel mogelijk willen controleren dat niemand profiteert van ons zuurverdiende belastinggeld. Het is een pessimistisch beeld dat ik hier schets, en het mag dan licht overdreven zijn, het toont wel wat de neoliberale moraal met ons wereldbeeld doet. Want onder het mom van ‘geen moraal’ (moraal ruikt immers naar conservatisme of godsdienst, beiden vieze woorden) predikt het neoliberalisme natuurlijk een geheel eigen moraal, die van de collectieve onverschilligheid.

“Zo bevordert de afbraak van de collectieve moraal de opkomst van de zelfzuchtige moraal. Wie voor zichzelf kan zorgen, heeft de toekomst; wie dat niet kan, schiet tekort en mag anderen niet tot last zijn. Nieuwe generaties raken gewend aan een amorele overheid, die een amorele samenleving laat ontstaan.” 11

De Volkskrant verwoordt hier treffend en ietwat pessimistisch de gevolgen die het dominante neoliberale denkkader vandaag op alle niveaus van onze samenleving heeft. Hierboven heb ik al een kleine discoursanalyse gemaakt van ons dagdagelijkse taalgebruik op het individuele niveau om aan te tonen hoe sterk wij het neoliberale discours geïntegreerd hebben in onze persoonlijke levenssfeer. Hieronder wil ik hetzelfde doen voor het collectieve niveau en de openbare politieke sfeer.

De ‘vluchtelingencrisis’, een case-study

Onze tv’s en kranten worden overspoeld met foto’s van mensen op de vlucht, het liefst in groep en het liefst druk en bedreigend roepend en rammelend aan de grote hekken die intussen overal opgetrokken werden binnen en buiten de Europese grenzen. Het lijkt wel alsof men ons met het beeld wil opzadelen alsof er een leger van tien miljoen woeste hunnen aan de deur staat. De realiteit spreekt dat echter tegen. Het overgrote deel van de vluchtelingen die Syrië ontvluchtten zit nog steeds in kampen in de buurlanden. In 2015 meldden zich ‘slechts’ 1,2 miljoen vluchtelingen in Europa, op een totale bevolking van 740 miljoen. 12 Natuurlijk, het gaat hier om aanzienlijke aantallen, maar vergeleken bij de 11 miljoen Syriërs die op de vlucht zijn, is dit voor Europa echt peanuts. Waarom spreken we hier bij ons dan van een ‘crisis’ en een ‘stroom’?

Politiek en media lijken er soms alles aan doen om de crisis te creëren. Toegegeven, er zijn veel mensen op de vlucht, elke dag sterven er mensen, en dat is een kritieke situatie. Duizenden mensen leven in crisisomstandigheden in erbarmelijk uitgeruste kampen. En toegegeven, dat zet druk op bepaalde Europese landen, vooral aan de buitengrenzen als Italië en Griekenland. Maar ik denk dat we hier vooral kunnen spreken van een ‘crisis in Syrië’, een ‘Europese crisis’ of een ‘solidariteitscrisis’, eerder dan van een ‘vluchtelingencrisis’. Zulk woordgebruik insinueert dat de vluchtelingen de oorzaak zijn van een crisis hier bij ons: dat zij met andere woorden nadelig zijn voor ons. Dit wakkert op haar beurt weer gevoelens van angst en onvrede aan bij de bevolking. Koppen als ‘Toestroom van migranten naar Griekenland houdt niet op’, ‘EU-akkoord met Turkije houdt vluchtelingen niet tegen’ of ‘Drommen migranten omzeilen grenshek Macedonië’ 13 getuigen van het heersende angstdiscours dat tegenwoordig vaak gebruikt wordt in berichtgeving of politieke discussies over vluchtelingen. Meestappen in dit discours is verre van onschuldig (en hier zouden media zich vaker bewust van moeten zijn), want het wakkert angst en onverdraagzaamheid aan.

Wat mij ook opvalt in het hele vluchtelingendebat 14 dat in de politiek en media wordt gevoerd, is het sterk economisch beladen discours ervan. Rechts én links spreken in termen van economie: we moeten opvang bekostigen, we moeten jobs creëren, hoe gaan we de kosten dekken, welk nut kunnen vluchtelingen opbrengen voor onze economie, na zoveel jaar hebben ze hun verblijf hier ‘terugbetaald’, enzovoort. Het is opvallend dat het vluchtelingendebat, welke kant je ook kiest, weinig gevoerd wordt in termen van moraliteit: is het niet gewoon onze verdomde morele plicht om mensen op de vlucht voor zo’n ernstig conflict te helpen? In plaats van die vraag te stellen, beroepen politici zich overal op de ‘rationaliteit’ in de aanpak van deze crisis: we moeten eerst uitrekenen of we de middelen hebben (terwijl we die voor andere projecten natuurlijk wel makkelijk vrijmaken) en of er wel een maatschappelijk draagvlak voor bestaat (nee, en we doen vooral niet ons best om dat te creëren 15 De Belgische oorlogsverslaggever Rudi Vranckx verwoordde het onlangs treffend in een opiniestuk:

“Nee, we mogen ons niet laten leiden door emotie, de politiek moet rationeel zijn in deze crisis. Maar is dat soms niet gewoon een ander woord voor collectief egoïsme? Rationeel? Ja. De onderbuik volgen voor eigen gewin? Nee. Syrië heeft ons in het tijdperk van de angst gebombardeerd. Het trending woord voor de komende jaren wordt… grenzen. Om te bewaken, om af te sluiten. Hoog tijd dus om ons ook te bezinnen over onze morele grenzen, want de oorlog, die is nog lang niet voorbij.” 16

De gevolgen van dat ‘rationele’ amorele denken inzake deze vluchtelingencrisis, in combinatie met een discours dat inspeelt op angst, laten zich ook voelen in het taalgebruik van de ‘man in de straat’ (wie dat ook moge zijn). Het is vooral verontrustend dat alle politieke correctheid overboord gegooid wordt en dat bijvoorbeeld op het internet vaak racistische commentaren met naam en toenaam van de schrijver verschijnen. In een dominant discours dat de focus op waarden verloren heeft, hoeven individuen zich blijkbaar niet meer te schamen om ‘politiek incorrect’ (lees: ronduit racistisch, islamofoob of onverschillig) te zijn. Politieke correctheid is vandaag de dag bijna een scheldwoord geworden. Tegelijkertijd gebruiken politici zelf steeds meer populistische gespierde taal om kiezers te winnen en volgen de media met dit soort slogans om clicks voor hun artikel te genereren. Wat op haar beurt de algemene opinie weer beïnvloedt. Zo wordt door een neoliberaal angstdiscours het draagvlak om anderen (in dit geval vluchtelingen) te helpen systematisch afgebroken. De cirkel is rond.

Toch is het altijd een keuze om een bepaald discours te gebruiken. Iedereen draagt zelf de verantwoordelijkheid voor de eigen taalkeuze. Het wordt tijd dat ook linkse partijen, media en individuen zich hiervan bewust worden wanneer ze meestappen in precies dat neoliberale discours. Want door het discours te gebruiken, promoot men ook haar onderliggende waarden. Wordt het dus niet dringend tijd om weer te spreken in termen van solidariteit, morele plicht en menselijkheid?

Verwantschap als sleutelwoord

“De keuze voor liefde is kiezen voor solidariteit want liefde is altijd solidair.” 17

In zijn recente boek Liefde in tijden van angst pleit de Brussels-Albanese politiek filosoof Bleri Lleshi voor een samenleving gebaseerd op liefde. Hij wijst op het belang van liefde, in de ruime zin van het woord, als tegenwicht voor de angst en neoliberale normen in onze maatschappij. Liefde kan je hier ook interpreteren als solidariteit of verwantschap. Het betekent belang hechten aan de ander, het betekent verbintenissen aangaan, het betekent loskomen van ons individualisme en in gesprek treden met andere mensen.

Ironisch genoeg (maar gelukkig) is het ook de ‘vluchtelingencrisis’ die vandaag de dag laat zien hoeveel liefde en solidariteit er nog bestaan in Europa. Duizenden mensen zamelden kleren en gebruiksvoorwerpen in, de kampen werden overspoeld met vrijwilligers en sommige mensen namen zelfs vluchtelingen in huis. Is dit geen goed voorbeeld van een reëel maatschappelijk draagvlak voor solidariteit? Het toont aan dat de onverschilligheid niet overal gewonnen heeft. Het toont ook aan dat de moraal en ethiek vandaag de dag nog springlevend zijn. Het toont aan dat er hoop is in de toekomst.

Die hoop wil ik vasthouden, en op die hoop wil ik verder gaan. Zonder conservatief te willen zijn, durf ik ook te stellen dat een terugkeer naar waarden nodig is. Daarvoor moeten we in gesprek gaan om te achterhalen welke waarden we willen uitdragen. Verwantschap, solidariteit, liefde, begrip,… zijn verbindende principes voor de samenleving. Deze staan misschien lijnrecht tegenover het marktdenken, maar ze zijn hoogst nodig om een echte ‘samenleving’ of ‘gemeenschap’ te kunnen vormen.

Naïef, zegt u? Enkel wanneer je kijkt door een neoliberale bril. Maar ik, en vele anderen, kiezen ervoor om een andere bril op te zetten en een ander discours te gaan hanteren. Ingaan tegen het dominante discours is ingaan tegen de waarheid van een samenleving. Wie buiten het dominante discours valt, wordt door de machthebbers verbannen naar de zone van het subversieve of het onmogelijke. Maar dat wil niet zeggen dat de realiteit op termijn het tegendeel niet kan bewijzen. En wanneer de realiteit verandert, zal ook het taalgebruik volgen. Of omgekeerd. Met ‘nieuwe’ (of moet ik zeggen: eeuwenoude?) termen als solidariteit, duurzaamheid, verwantschap,… zullen we vorm geven aan een nieuw discours dat we kunnen inzetten om een betere toekomst te verbeelden, uit te spreken en te creëren.

Bij 2116 zijn we alvast begonnen om verwantschap terug een plaats te geven in onze samenleving, in onze waarden en in onze taal. Doet u mee?


  1. Uit: Oscar Wilde, The picture of Dorian Grey

  2. Foucault was één van de meest toonaangevende denkers van de 20ste eeuw. Zijn bijdragen over discours, structuren en disciplinering zijn enorm belangrijk voor het huidige denken over maatschappij, macht en geschiedenis.

  3. Voor één van de leukste en mooiste lichtvoetige staaltjes van discoursanalyse, zie: Roland Barthes, Uit de taal van een verliefde. Ijzer, 2011.

  4. Het was de Belgische psychoanalyticus Paul Verhaeghe die de ernst van dit soort taalgebruik jaren geleden onder m’n neus wreef in zijn boek Identiteit (Amsterdam: De Bezige Bij, 2012)

  5. Trouw

  6. Joris Luyendijk, Dit kan niet waar zijn. Onder bankiers. Atlas Contact, 2015.

  7. Het sociaaldarwinisme is een ideologie (en dus geen wetenschap) die Darwins evolutietheorie doortrekt naar het sociale domein, waarin het ‘recht van de sterkste’ de norm is.

  8. Interview met Joris Luyendijk in Trouw

  9. Verhaeghe, Identiteit, pagina 117

  10. Terugschroeven cultuursubsidies en het afschaffen van bepaalde richtingen, zoals filosofie, aan sommige universiteiten.

  11. Volkskrant 

  12. Europa Nu 

  13. allen uit De Morgen online, toch een traditioneel eerder linkse krant

  14. Ik heb het hier niet over het beleid, maar over het debat dat in de media en de publieke ruimte gevoerd wordt.

  15. Een vriend van mij die aan politiek doet (in een linkse partij) zei me onlangs dat er bij de gewone mens geen draagvlak meer is om veel asielzoekers op te nemen, en dat het dus voor de eigen veiligheid van de vluchtelingen beter zou zijn om een andere oplossing te vinden. Ik begrijp dat het moeilijk is om in deze tijden aan politiek te doen, maar ik vraag me dan ook af of het niet politici hun verdomde plicht is om dat draagvlak te creëren.

  16. De Morgen

  17. Bleri Lleshi, Liefde in Tijden van Angst. EPO, 2016.

één reactie

  1. Pavle Trkulja
    Pavle Trkulja
    april 7, 2016
    Beantwoord

    Een hele goede tekst Linde. Erg duidelijk en mooi geschreven. Je hebt me iets geleerd. Groet!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *