Paul Cézanne – De bouwmeester van het nieuwe beeld

Het volgende essay is vertaald uit het Duits en is afkomstig uit het boek “Unvollendete Schöpfung – Künstler im zwanzigsten Jahrhundert” van de kunsthistoricus Diether Rudloff. Op enkele weglatingen na is de tekst letterlijk weergegeven. 

Haast geen kunstzinnig levenswerk heeft een zodanig omvattende en diepgravende invloed op de kunst in de 20e eeuw uitgeoefend als de meester uit Aix-en-Provence. Het was dan ook niet alleen Matisse die gezegd heeft: hij is de vader van ons allen. Als een enorm bergmassief waarop men zich kan oriënteren rijkt zijn werk in onze tijd omhoog en zijn toekomstbetekenis is nog lang niet uitgeput.

De Fauven en kubisten kunnen zich evenzeer op zijn werk beroepen als het uit München afkomstige schilders collectief der Blaue Reiter. Zelfs tot de schilders van de abstracte kunst reikt de grote boog van zijn werkzaamheid. Hoeveel verschillende leringen hebben zij niet uit zijn werk getrokken! Echter gedurende zijn leven was Cézanne in de ogen van het Parijse openbare leven een omstreden, ja zelfs een gehaat kunstenaar. Zijn werk oogste hoon en spot als men hem al niet volledig doodzweeg. Men noemde hem een nar, ongedierte, en zelfs een communist; men had van hem de indruk dat hij een waanzinnige was die vastzat in een delirium. Deze verachtelijke vooroordelen, die alleen maar de grenzeloze kleinburgerlijke onverdraagzaamheid van zijn tijdgenoten weerspiegelden. Maar aan het einde van zijn leven veranderde dit in welwillende kritiek echter het ware genie van deze kunstenaar werd nog niet erkend.

Zelfs in onze tijd (1981) lopen de oordelen over Cézanne wijd uiteen. Een volledig negatief beeld over zijn kunst heeft Hans Sedlmayr. Zo is het voor hem een symptoom van ontketende chaos, de voorbereider van de uitbraak van het niet-menselijke. Dit doordat Cézanne zijn schilderen ziet als een toestand van uiterste deelnameloosheid van de geest en de ziel aan de ervaringen van de ogen  en daarom het niet-menselijk en levensvreemd is. Volledig in tegenspraak met deze cultuurpessimistische analyse, die aan de kunst van Cézanne volledig voorbijgaat, ziet Jean Gebser in hem de toekomst-wijzende aanzet. Volgens hem begon er met Cézanne een nieuw a-perspectivisch zien, een integraal bewustzijn dat o.a. richtinggevend voor de schilderkunst is, in de zin dat het de gesloten driedimensionale ruimte overwint. De ruimte die we kennen sinds de renaissance, uit het werk van Giotto, Masaccio en Leonardo. Cézanne wordt zo tot de schepper van een kunst die niet meer het ruimte gefixeerde tijd-ruimtelijke ogenblik wil weergeven, maar dit moment in zijn geheel doorzichtig wil maken; het bezit hierdoor een eeuwigheids-karakter. Van de façade tot het innerlijk ging Cézanne zijn weg, door de euclidische, drie-dimensionale ruimte naar de sferische of niet-euclidische tegenruimte, die uit de kromming, niet uit de lijn, die uit de cirkel, niet uit de punt voortkomt: De ruimte als continuüm met zijn onverholen ritme, de oneindigheid van zijn structuren, zijn transparantie en zijn meerdere lagen allemaal in de dingen besloten. Als een van de eerste moderne kunstenaars stoot hij door van de fysieke wereld naar het gebied van de levenskrachten. Hij kon dit echter alleen omdat hij steeds radeloos werd aan de vergankelijkheid van al het aardse en daarom uit de vluchtigheid, het on-bestendige van de impressionisten naar iets duurzamers en boven-tijdelijks wilde doordringen.

Annecy Lake (1896), Paul Cézanne

Al in zijn kindertijd en jeugd klink dit lotsmotief: de spanning tussen zijn creatieve persoonlijkheid en de principes van zijn familie; een spanning die hem gedurende zijn leven veel pijnlijke ervaringen heeft bezorgt. Maar die ook de bron van zijn hogere kunstzinnige streven werd. Op 19 januari 1839 komt Paul Cézanne in het dromerige Aix-en-Provence ter wereld. Zijn vader Louis Auguste komt uit een volledig verarmde, uit Italië afkomstige, handwerkfamilie. Innerlijk overwint Louis de smaak der armoede nooit, hij werkt zich als hoedenmaker tot bankier omhoog, zodat hij een van de rijkste mensen uit de omgeving wordt. Voor hem is er geen andere realiteit dan het geld, en zo had hij de vanzelfsprekende wens dat zijn zoon later de bank zou gaan overnemen.

The Artist’s Father (1866) Paul Cézanne

Stil en mensenschuw groeit de kleine, sensibele Paul op, slechts af en toe breekt het abrupte, bruisende temperament van hem door. Welke ironie van het lot, dat uitgerekend zijn vader, die later de bitterste tegenstander van zijn kunstzinnige plannen zal worden, hem de eerste schilderdoos in de hand geeft! Op het gymnasium zal hij een van de beste leerlingen worden, hier leert hij ook de even oude Emile Zola kennen, die zijn onafscheidelijke vriend zal worden. Deze jeugdvrienden doorkruisen steeds weer de Provinciaalse omgeving, die later de oergrond van Cézanne zijn kunst zal worden. Bij hem verdicht zich steeds meer de wens om van het schilderen te leven; toch dwingt zijn vader hem, na het verlaten van de school, rechten te gaan studeren in 1859. Hiermee zou hij later bankier kunnen worden: Kind, denk aan je toekomst! Met talent verhongert men de mens, met geld heeft men genoeg te eten. Tegen deze woorden had Paul niets anders in te brengen dan zijn kunstzinnige droom. Toch hield hij het niet lang uit op de universiteit in Aix  en onder bittere verwensingen, die hij nooit helemaal heeft kunnen verwerken, van zijn vader vertrok hij in 1861 naar zijn vertrouwde vriend Zola in de kunstzinnige en wetenschappelijke vooruitstrevende wereldstad Parijs. Beide begonnen daar via verschillende wegen, de kunstzinnige strijd tegen de stijve, academisch verstarde omgeving te voeren. Zij wilden het volle leven in zijn heerlijkheid, zelfs dat leven, dat lelijk en brutaal is, in zijn geheel opnemen. Echter waar Zola met een glansrijk literair talent begiftigd was, en zich ook hartstochtelijk met de journalistieke verhalen van de dag uiteenzette, liep Cézanne in burgerlijke zin de een na de andere schipbreuk. Toen hij auditie deed bij het Ecole des Beaux-Arts werd hij daar afgewezen, wat hem diep ontmoedigde. Elk jaar zond hij zijn werk bij de kunstsalon in, maar het werd ook daar elke keer weer verworpen. Men vond  deze -zoals men zei –pistolenschilderingen van een wilde, die zijn beelden zo uit de tube op het canvas schoot, een belediging van de goede kunstsmaak. Naast deze afwijzingen, werd hij ook vervolgd door de vloek dat werk na werk mislukte. Hij droomde van rijzige beelden en liep als bezeten dagenlang door Parijs, door de markthallen, de stations en fabrieken, waarvan hij de grote wanden met fresco’s wilde beschilderen.

File:Paul Cézanne - The Murder - Google Art Project.jpg
The Murder (1867), Paul Cézanne

In zijn strijd voor de nieuwe kunst vond Cézanne weldra ook medestanders, een groep van schilders, de latere impressionisten, Pissarro voorop, die zijn vaderlijke vriend zal worden. Maar Cézanne was ondertussen naar zijn geboortestreek teruggekeerd, waar hij zich meer en meer onderdompelde in de eenzaamheid van het provinciale landschap, waar hij stil zwijgend, meditatief voor zijn motieven zat. Deze impressionistische fase was voor hem echter een tussenstap. En wanneer hij in onophoudelijke arbeid zich dan veranderd en niet meer de eigen, subjectieve ondervindingen op het canvas toelaat,  wordt hij de grote toekomst wijzende meester. Daar vormden de landschappen zich om in grote machtige vormen, in lichtende kleuren. Dit doordat hij zich door het landschap liet omvormen: Er bestaat een wereldminuut, die voorbijgaat, zo schreef hij, haar te kunnen schilderen, zo als zij werkelijk is! En alles daaromheen te vergeten!

De gerijpte blik van een oudere

The Plain with Mont Sainte Victoire (1879/80), Paul Cézanne

Er zijn kunstwerken, maar ook stijlperiodes, die uit de enthousiaste geest van de jeugd geboren zijn – het werk van Raphael of Watteau, Marc of Macke, zoals de Romantiek, de Jugendstil of het expressionisme. Alles vloeit hier kunstzinnig in een onophoudelijke opwelling van jeugdige genialiteit,  als een paradijselijk geschenk uit de hemel. Er zijn echter ook werken en stijlperiodes die als rijp en zoet geworden vruchten van een lang ervarings-en-ontberingsvol leven verschijnen, zoals de gouden herfst na een lang voorjaar en zomer. Bij Michelangelo en Tizian, bij Hals en Rembrandt, bij Goethe en Beethoven mogen wij van een ouderen-stijl spreken – bij Cézanne evenzeer. Het is de rijpe en ouderen-blik die soeverein en onafhankelijk geworden is, los van de wisselvalligheden van alledag, die de werkelijkheid meer en meer doordringt en die de samenhang van het levensgeheel ziet. Dit met een blik die zichzelf helemaal terugneemt, die het lagere-ik laat zwijgen, en hierdoor juist in een hogere concentratie aanwezig is en de dingen zo in het zuivere en onvervalste Zijn kan laten uitspreken. De kunst is een harmonie parallel aan de natuur zei Cézanne tot zijn vriend Joaquin Gasquet. Wat moet men van de dwazen denken, die zeggen dat de schilder minder is dan de natuur! Hij is er aan gelijk. Wanneer hij niet eigenwillig ingrijpt — begrijpt u me goed. Zijn gehele willen moet zwijgen. Hij moet in zicht tot zwijgen brengen, alle stemmen van de vooringenomenheid, vergeten, stil maken, een volmaakte echo zijn. Dan zal zich op zijn lichtgevoelige plaat het gehele landschap aftekenen. Om het op de canvas te krijgen, het hoogtepunt weer te geven, moet dan het handwerk ingezet worden, maar een eerbiedig handwerk, dat ook tot gehoorzamen in staat is, het onbewust over te dragen.

Mont Sainte-Victoire (1887), Paul Cézanne

In de rijpe en ervaren geworden blik van de oudere mens verliezen de dingen hun gescheiden-zijn. Zeker behouden alle dingen hun individuele vorm, maar zij wijzen boven zichzelf uit naar de heelheid, het universele. De ouderen-blik verbindt het schijnbaar zich tegensprekende, zij verenigt het individuele met het universele. In hem verdwijnt de op de voorgrond tredende lichamelijke substantie van de fysieke werkelijkheid tot een slechts fragmentarische aanduiding. Zij verliest hierdoor haar zwaarte en ondoordringbaarheid en wordt op deze wijze transparanter voor de geestelijke, innerlijke uitdrukking. Deze kunstzinnige ouderen-blik vormt van de wereld een beeld van de vrijheid, gewonnen uit de volmaaktheid van het innerlijk zicht en doordringt daarmee het uiterlijke. Goethe spreekt hierover, dat het ouder worden een stapsgewijze terugtreding uit de zichtbaarheid betekent. Dit wordt uit het latere werk van Cézanne onmiddellijk duidelijk.

Mont Sainte-Victoire (1904/06), Paul Cézanne

Wellicht mag dit ouderenwerk bij de waarnemer tot geraaktheid leiden, want het spreekt in zijn spirituele helderheid, in zijn menselijke blik op de eigen tijd, die vaak verlangend naar de jeugd is. De jeugdigheid en de daarmee noodzakelijk verbonden onrijpheid wordt vandaag de dag volstrekt als nastrevenswaardig en als absoluut ideaal gezien en geenszins als slechts een doorgangspoort naar een rijper mens-zijn. Zodoende behandelt onze tijd de ouderen, met wie men in de grond niets weet aan te vangen weet, als overbodig, als biologische gebrekkige verschijning, die de natuurlijke jeugdige vitaliteit verloren is. Cézannes latere werk laat de onbevangen waarnemer beleven, welke scheppende mogelijkheden in de ouderen aanwezig-zijn, een potentieel waar de jongen mens nog niet eens van dromen zou.

Montagne Sainte-Victoire (1904), Paul Cézanne

Cézanne tracht voor zijn tijd weer de volkomen samenhang der dingen zichtbaar te maken, een schoonheid en harmonie, die overal in de wereld aanwezig is, maar tot zover nog nergens gerealiseerd kon worden. Cézanne overschrijdt de lagere zichtbaarheid, terwijl hij een hogere zichtbare kunst zoekt. Hij beweegt aan het oppervlakkige voorbij naar een innerlijke blik toe. Zoals Johannes de Apolcalyptiker, de grijze ziener van Patmos, ontkleedt hij alle dingen van hun gecompliceerdheid, en vindt de hoogste eenvoud van de vorm terug, die dan het diepste kan uitspreken. Cézanne omvat de werkelijkheid met een Franciscaanse tederheid, intensiveert en bevrijdt ze daardoor. En zo ziet hij de gehele aarde in de toestand van de historische voleinding, de verlossing, waarin de zondeval eindelijk overwonnen zal zijn. Daarmee loopt hij in zijn schilderingen vooruit op wat in de Apocalyps, in het nieuwe testament, het hemelse Jerusalem heet, als dat nieuwe paradijs, dat de mens aan het einde der tijden door de doorchristelijkte geest creëren kan. Julius Meier-Graefe, de geestvolle kunstgeleerde, wiens beschouwingen verre van stijve geleerdheid zijn, zag in 1907 tijdens de herdenkingstentoonstelling van Cézanne in Parijs en herkende onmiddelijk met vooruitziende blik de betekenis hiervan.  Een bouwmeester noemt hij de meester uit Aix: We glijden door de beelden van Monet, Pissarro, Sisley, de late Manet heen maar bij Cézanne kunnen we verblijven. Zijn natuur is een machtig gebouwde behuizing. Hij bouwde voor de mensheid. Hij bouwde voor een tijd zonder tempel. En het juweel van zijn kleuren is het familiesieraad van een tijd zonder familie. En verder: Hij bouwt een middag, een morgen, die net de schemering ontwijkt, de minuut voor de avond, een van vochtigheid doortrokken rivierbedding: de beelden, doen het ademen verlichten, als zijn ze met ozon geschilderd…

Mont Sainte-Victoire (1904/06), Paul Cézanne

Voor KANDINSKY, die veel aan hem te danken heeft, was Cézanne een zoeker van het innerlijke in het uiterlijke, die het vermogen had, uit een eenvoudige theepot een bezield wezen te scheppen. Hij was het, die het stilleven, dat de Fransen nature morte, de dode natuur noemen, op een hoger niveau tilt, waarin de dode dingen weer opnieuw beginnen te leven. Maar dit vermogen bezat hij alleen omdat zijn grondhouding in zijn kunstzinnig scheppen door en door religieus was. Zo beleeft hij zijn opgave als een soort priesterdom, dat een zuivere mens vereist, die zich hier volledig aan wijdt. Hij wilde, echter, op moderne wijze, een mediterende schildermonnik zijn, zoals Fra Angelico tijdens de Florentijnse Renaissance was: en de kunst, geloof ik, brengt ons in de toestand van genade, waar zich ons de algemene prikkeling, religieus en geheel natuurlijk openbaart zei hij tegen Gasquet. Hij ondervindt de natuur, in al zijn uitingen, immers religieus: voor staat een groot wezen van licht en liefde, het onzekere universum en het aarzelen der dingen. Ik zal hun Olympus zijn, ik hun god zijn. Het hemelse ideaal zal in mij opstaan. De kleuren, zie je, zijn de belichaming der ideeën en god. Het doorschijnen van het mysterie, het kleurenspel van de wetten.

Drie stelregels zijn – zoals hij zelf zei – voor de meester van Aix de innerlijke en uiterlijke basis voor zijn kunst, zijn handwerk. Die ons nu verschijnen als moderne metamorfose van de drie traditionele monnik idealen, die de heilige Benedictus in de zesde eeuw na Christus formuleerde als armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Idealen die in de kern waardevol blijven, waarbij ze een drieledig oerbeeld uitdrukken, dat ondanks het einde van de kloostercultuur in het Avondland is blijven voortbestaan. Zo duiken ze getransformeerd bij Cézanne weer op, waar ze: bewustzijn, eerlijkheid, ondergeschiktheid heten. Bewustzijn namelijk voor de ideeën van de wereld zelf, onvoorwaardelijke eerlijkheid hiertegenover, en absolute ondergeschiktheid tegenover het onderwerp, dat men kunstzinnig vorm wil geven. Deze grondstemming groeit bij Cézanne uit tot het mystieke. Kurt Badt heeft de laatstgenoemde samenhang gezien. Hij meent dat op Cézanne de woorden van meester Eckehart aan te wenden zijn: het uiterlijke van het beeld is voor de geoefende mens niets uiterlijke; want voor de innerlijke mens zijn alle dingen een goddelijke wegwijzing. In deze duidelijke en bewuste mystiek, die geenszins een vaag karakter bezit, is het goddelijke niet ver van de mens meer, maar kan integendeel het innerlijk van de mensen beleefd en gewekt worden. Door die verwekking brengt men de innerlijke kern van de werkelijkheid tot een voorstelling. Daarom noemt meester Eckehart met recht deze intocht naar god in de ziel van de individuele mens, het oplichten van het vonkje.  Dan ziet men de mystiek der dingen, hoe ze werkelijk zijn. Daarmee doet men tegelijkertijd de eigen afzondering van de ander te niet, men overwint de zondeval. Dan is men niet meer van de dingen gescheiden en vormt een ondeelbare eenheid.

Zo moet naar Cézanne’s overtuiging de ware kunstenaar al zijn egoïstische wensen in zich tot zwijgen brengen, alle vooroordelen kunnen vergeten, en een stilte in zichzelf kunnen herstellen, zodat de ziel van de natuur met de ziel van de kunstenaar kan communiceren, opdat beide een worden. Daarom kon hij zeggen: onder deze fijne regen adem ik de jonk-vrouwelijkheid van de wereld. Een scherpe zin voor de nuances werkt in mij. Ik voel mij kleurig door al deze kleurschakeringen van het oneindige. In dit ogenblik ben ik volkomen een met mijn beelden. Wij zijn een iriserende chaos. Ik sta voor mijn motief, ik verlies mij daarin. Ik denk na, ik beweeg eromheen. De zon doordringt mij dof, als een verre vriend, die mijn luiheid verwarmt en weer vruchtbaar maakt. We kiemen. En wanneer de nacht neerdaalt, dan is het voor mij, alsof ik niet meer zal schilderen en dit ook nooit gedaan heb. Het moet nacht zijn, opdat ik mijn ogen van de aarde los kan maken, van deze hoek van de aarde, waarmee ik versmolten ben. Hiermee is ook op echte mystieke wijze op de schepping en het vormproces in de kunst gewezen. Buiten en binnen zijn voor de sensitieve beleving van de schilder één, de natuur buiten en de eigen innerlijke natuur moeten zich tijdens het schilderen doordringen. En zo bestaat er voor hem niet alleen de uiterlijke zon buiten aan de hemel, die alles in de natuur verwarmt en doorstraalt, maar ook een innerlijk zon in de mens te ervaren: die over de wereld verdeelde morele kracht, dat is wellicht alleen het streven om meer zon te worden. Het is het begrip, het gevoel, de droom van de wereld van God. Overal treft een straal een donkere poort. Een lijn omsluit een toon, en houdt hem gevangen. Ik wil ze verlossen.

Kleuren als belichaamde ideeën.

De natuur is niet aan de oppervlakte, ze is in de diepte. De kleuren zijn de uitdrukking van deze diepte aan de oppervlakte. Ze stijgen uit de wortelen der wereld omhoog. Zij zijn haar leven, het leven der ideeën. Daarmee is Cézanne een moderne Aristoteliaan, die net als de middeleeuwse scholastiek, de scheppende ideeënwereld als realiteit ziet. En zo schildert hij de dingen niet in nominalistische zin, maar hun geestelijke som, de universaliteit van de dingen. En hij schildert geen kleuren an-sich, als naakte beeldcomponenten, maar als het idee der schepping, die een eigen leven leiden. De gemeenschappelijke oergrond der wereld, dat al het leven op aarde draagt, zag Cézanne in de kleur blauw. Zij verleent alle andere kleuren hun beweging. Emile Zola verwijst in zijn Roman L’oeuvre (1885-56) op de cruciale rol die de kleur blauw in het levenswerk van zijn vriend speelt. Rainer Maria Rilke verging het net zo. Hij zag in de herfst van 1907 de overzichtstentoonstelling van Cézannes in de Parijse salon, die voor hem een openbaring was. In ongeveer twintig gewichtigen brieven berichtte hij zijn vrouw Clara Rilke van deze kunstzinnige ontdekking, die hem naar zichzelf voerde. Zo sprak hij over de monografie van het blauw, die men schrijven moet: welk levensverhaal zou dat zijn! En op 21.oktober 1907 heette het: Ik wil echter eigenlijk nog van Cézanne zeggen: dat het nog nooit opgeschreven is wat er tijdens het schilderen met de kleuren gebeurt. Dat men ze helemaal alleen moet laten, opdat ze zich met elkaar kunnen uiteenzetten. Hun verkeren onderling, dat is de hele schilderkunst. Als je er tussendoor spreekt, richting geeft, iets bedenkt, een eigen grap, de eigen rechter speelt, de eigen geestelijke beweeglijkheid mee laat bewegen, dat stoort en vertroebeld al de handeling. De schilder zou niet tot bewustzijn van zijn inzichten mogen komen. Dit geldt voor de kunstenaar in het algemeen…… 

Stelt het blauw noch bij de impressionisten het vergankelijke voor, het atmosferische, ook de schaduw, zo zal deze kleur bij Cézanne op een nieuwe, haast tot een nieuw magisch werkend symbool verheven worden. Hij maakt de eeuwige ordening van de wereld in alle innerlijk geestelijke samenhangen en tegengestelde relaties zichtbaar, hij verwijdt en verdiept het uiterlijke tot de wereld-binnenruimte, in de zin van Rilke: waarin stilte, vrede en harmonie heerst. Cézanne mediteert in het blauw van zijn beelden; hij laat in blauw, mensen en dingen, landschappen en stillevens het eigen wezen zich uitspreken. Het blauw, dat bij de impressionisten noch slechts schaduw – of beeldkleur was, wordt bij de meester uit Aix een zuivere glanskleur, die zelfs haar wezen uitstraalt. Wanneer Rudolf Steiner de kleur blauw als de glans van de ziel aanduid, zo verschijnt deze eigenschap eveneens als oer-fenomeen in de schilderijen van Cézanne; zij is daarbij geheel warmte en geborgenheid en mist alle koelte die men anders met haar verbindt. Het blauw wordt bij hem tot reine aandacht; en wanneer Steiner, ook weer de missie van de aandacht als die zieleneigenschap aanduidt, die tot de moderne bewustzijnsziel voert die zich juist nu wil verwezenlijken, dan is daarmee ook op een hoog actueel aangrijpingspunt van deze schilderkunst geduid.

The Large Bathers, Paul Cézanne (1906)

Echter nog een kleur had een oerbeeld karakter voor Cézanne, en deze eveneens niet alleen in formeel-esthetische zin: zolang men niet met grijs geschilderd heeft, is men geen schilder, zei de eigenzinnige meester, hoewel zijn bewonderenswaardige voorbeeld uit de tijd der romantiek, namelijk Eugène Delacroix, juist het tegenovergestelde gezegd heeft: De vijand van alle schilderkunst is grijs! Beide uitspraken treffen echter de waarheid; en waarom? Alle kleuren sterven in het grijs weg, zo heeft later Paul Klee in zijn unieke kunsttheoretische werk Bildnerisches denken (Picturaal denken) gepleit voor het grijs. Het is, gelijk als in de echte mythische zin, een dood en opstandingsproces dat met het grijs verbonden is. Dat tonen duidelijk de beelden der impressionisten. Hier bezweert het grijs samen met de andere kleuren een ongehoorde frisse, jeugdige en zinnelijke, rijk verzadigde wereld, waarin jubelend enthousiasme heerst. Echter deze wereld der schoonheid is tot de dood veroordeeld, ze moet eens sterven, zoals ook de klassieke schoonheid der Griekse antieken sterven moesten. Het grijs van de impressionisten is nog aan deze zijde van de dood, het had de dood nog voor zich; en alle kleuren zullen in het grijs sterven moeten. Bij Cézanne is het grijs al aan de andere kant, het is aan andere kant van de dood. Zijn beelden zijn zonder schaduwen geschilderd, voorbij het perspectief. Voor ons breidt zich een ruimte uit, die geen fysieke natuur heeft, die uit het grijs en blauw geleidelijk opbloeit. Een ruimte die de toeschouwer tegelijkertijd heel dichtbij schijnt en zich toch ook in onmetelijke verten verwijdt. Cézanne, die aan de vergankelijkheid van het aardse leed, had de dood steeds naast zich. Dat tonen zijn beelden met de doodshoofden. Hij wist van het sterven, van de dood. Echter uit het grijs schiep hij een opstandingsweg, in een kunstzinnige wereld, die onvergankelijk is.

Badende, Paul Cézanne (1900-06)

De vliegenier en dichter Antoine de Saint-Exupéry heeft Cézanne op een poëtische wijze gekarakteriseerd en ging daarbij uit van de natuuronderzoeker Louis Pasteur . Hierin ligt onovertreffelijk dat besloten wat het wezen van de mens en kunstenaar en de betekenis van het werk van Cézannes in het bijzonder uitmaakt: Pasteur is nooit meer mens, dan wanneer hij waarneemt. Dan komt hij verder want hij heeft haast. Dan gaat hij met reuzenschreden voorwaarts, hoewel hij zich niet van de plaats roert, en ontdekt de wijdheid. Zo is Cézanne onbeweeglijk en stil voor zijn schets, oneindig tegenwoordig van geest. Hij is nooit meer mens, als wanneer hij zwijgt, verifieert en oordeelt. Dan wordt hem zijn doek wijder dan de zee.

Voor de haast volledige online catalogus van Cézanne’s werk verwijs ik u naar de website ‘Paintings of Cézanne‘.  

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *