De kernwaarden van verwantschap als les uit de geschiedenis

De meest basale vorm van verwantschap is zo oud als de mensheid en ontstaat zodra je geboren wordt. Vanaf je geboorte maak je deel uit van een familie. Of je nu in een grote of kleine familie geboren wordt, je vormt een bloedlijn met je verwanten. Deze familieverwantschap is de allereerste vorm van verwantschap waar we mee te maken krijgen in het leven. Van hieruit leer je verwantschap aan te gaan in andere vormen. Toch zou ik niet willen stellen dat familieverwantschap voor zich spreekt. Hoewel je je familie niet kunt kiezen, is er toch bepaalde inspanning vereist om familieverhoudingen intact te houden. Dit heeft te maken met de rol die je inneemt binnen de groep. Bij een traditionele vaderrol komen aanzienlijke andere verantwoordelijkheden, opgaven en ideeën kijken dan bij een traditionele dochterrol het geval zijn. Dit kan veel moeilijkheden met zich meebrengen, aangezien niet iedereen in staat is de plaats in te nemen binnen de familie die van hem of haar verwacht wordt. Soms zijn het juist de verwachtingen die dit zo moeilijk maken. Zo kan bijvoorbeeld onder broers een concurrentiestrijd ontstaan, waardoor de verhoudingen onder spanning komen te staan en het grotere verwantschapsgevoel over het hoofd gezien wordt. Zo is jouw plaats binnen de familie en de manier waarop je die plaats invult cruciaal voor het grotere geheel. Ik denk dat we vanuit dit basisprincipe van familieverwantschap moeten redeneren wanneer we het hebben over andere vormen van verwantschap binnen en tussen samenlevingen. Wanneer je wilt dat verwantschap slaagt, moet je je eigenbelang aanpassen aan het grotere belang en je realiseren welke rol je dient te vervullen binnen het geheel. 1 Zodra één iemand eigenbelang voorop stelt, zullen alle verhoudingen verschuiven en zal dit afdoen aan het gevoel van verwantschap. De vraag is nu waarom ons eigenbelang vaak egocentrisch is. Dit is niet omdat we doen wat we zelf willen, maar omdat ons belang vaak niet primair gericht is op de ander. Er zal dus altijd een spanning blijven bestaan tussen de belangen van de verschillende individuen en het grotere, overkoepelende belang. Om te kunnen leren van het principe van familieverwantschap moeten we dit nader bestuderen. Dit wil ik doen aan de hand van vorstenfamilies in vroegmodern Europa.

Familieverwantschap in vroegmodern Europa

Europese staten in de vroegmoderne tijd zijn bij uitstek een voorbeeld van hoe dit familieverwantschapsidee werkt. Vroegmoderne staten werden bestuurd door dynastieën: grote vorstenhuizen, waar elk lid van de familie een eigen taak kreeg toegewezen. Sommige taken kwamen mettertijd steeds meer vast te liggen, zoals de oudste zoon die zijn vader opvolgt als vorst en daarmee ‘heer des huizes’ wordt en dochters die werden uitgehuwelijkt om banden met andere dynastieën te verstevigen. Je zou vroegmoderne staten dus kunnen zien als ‘familiebedrijven’: de hele familie werkt mee aan het besturen van de staat.

Historici David Warren Sabean en Simon Teuscher veronderstellen een grote transformatie in de ontwikkeling van Europees verwantschap. Ze stellen dat vanaf de late Middeleeuwen steeds meer trends te herkennen zijn binnen dynastieën die verbonden zijn aan verwantschap. Een belangrijk aspect hiervan was de erfenis. Dit werd steeds meer gereguleerd. Men hield er steeds meer gedetailleerde testamenten op na en primogenituur werd eerder regel dan uitzondering: de oudste zoon erft het grootste deel van het bezit van zijn vader. Het belangrijkste idee hiervan was om bezit onverdeeld van generatie op generatie over te brengen. De verandering in erfsystemen werd in gang gezet door verandering in de politieke betekenis van bezit. De algemene trend in de vroegmoderne tijd is dat verwantschap een zeer grote rol in ging nemen rondom opvolging en erfenis. Het lot van een individu en zijn of haar rol binnen de huiselijke sfeer werd vastgesteld door het proces van neerwaartse erfenis. Kortom, relaties in de vroegmoderne tijd werden steeds meer verticaal georganiseerd. De consensus onder historici is dat dit principe van erfenis heeft geleid tot de vorming van staten in Europa, aangezien primogenituur erop gericht was om het bezit bij elkaar te houden. Je kunt dus stellen dat het principe van familieverwantschap één van de fundamentele waarden is voor staatsopbouw in vroegmodern Europa. 2

Volgens socioloog Wolfgang Weber is er een te eenzijdig beeld over dynastieën ontstaan. Dit zette hem ertoe een sociologische definitie van de dynastie te opperen. Hij definieert een dynastie als ‘een optimale manifestatie van de familie, die wordt gemarkeerd door een verhoogd besef van identiteit en definitie naar de buitenwereld; een collectie van bezit dat een uitdrukkelijk collectief eigendom vormt, zoals territoria, status, rechten en ambten; huwelijken en erfenis uitoefeningen die erop uit zijn de erfenis onverminderd of zelfs vermeerderd door te geven; en een  toegenomen besef van historische continuïteit. De formatie en consolidatie moeten beide gezien worden als het resultaat van bewuste acties volgens bepaalde elementen en patronen’. 3 Weber stelt dat de formatie van een dynastie niet enkel terug te leiden is naar de mechanismen die werden gebruikt om familiebezit veilig te stellen. Culturele kwesties waren ook van belang binnen dit proces. Hij stelt het begrip ‘historiciteit’ centraal binnen het verwantschapsprincipe, waarbij hij refereert naar een bewustwording van de geschiedenis van de familie, waardoor de familie als het ware ‘echter’ en ‘hechter’ werd. Het doel van een dynastie was dus niet alleen het overdragen van familiebezit, maar tevens om het gevoel van verplichting te belichamen om dit te blijven doen. Op deze manier betekende deel uitmaken van een dynastie het algemene belang boven je eigenbelang te plaatsen. In andere woorden, Webers definitie markeert de dynastie als een sociale constructie, waarin een gedeelde identiteit – gebaseerd op geschiedenis, genealogie en erfgoed – centraal staat en waarnaar iedere individu binnen de constructie zich diende te schikken. Kortom, het algemene familiebelang speelde zoals gezegd de hoofdrol. 4

Beide theoriën stellen verwantschap centraal binnen vroegmoderne dynastieën, waarin het individu binnen en in naam van het geheel diende te opereren. Deze ontwikkeling van het belang van verwantschap binnen dynastieën wordt door beide theorieën in verband gebracht met het proces van staatsbouw in vroegmodern Europa. Beide theorieën typeren daarbij de vroegmoderne dynastie als een sociale constructie, waarin goed samengewerkt diende te worden en voor eigenbelang geen plaats was om macht en bezit te behouden en waar mogelijk zelfs te vergroten.

Een praktijkvoorbeeld

Hoe zag dit principe van familieverwantschap er dan uit in de vroegmoderne praktijk? Om deze vraag te beantwoorden wil ik een voorbeeld geven uit mijn eigen onderzoek naar familiebanden in vroegmodern Europa. In 1641 trouwde Willem II van Oranje, zoon van stadhouder Frederik Hendrik op veertienjarige leeftijd met de negenjarige Mary Henrietta Stuart, de oudste dochter van de koning van Engeland. Het was de eerste keer dat het Huis van Oranje een verbond aan ging met zo’n machtig en invloedrijk Huis als de Stuarts. De beweegredenen voor dit huwelijk waren duidelijk voor de Republiek: een huwelijk met de Stuarts zou de Republiek een hoog internationaal aanzien geven. Daarbij hadden de Oranjes een sterke bondgenoot nodig in de oorlog tegen Spanje. Hierin was Engeland -ook protestants- de uitgelezen partner in crime. Echter stond Groot-Brittannië in de aanloop naar het huwelijk aan de rand van een burgeroorlog, die in 1642 in volle hevigheid uitbarstte. Het huwelijk was voor Karel I daarom ook grotendeels gebaseerd op de hoop steun te genereren bij de moeilijkheden in zijn land. Hoewel Frederik Hendrik het niet aandurfde een formeel politiek verbond te sluiten met de Engelse koning, kreeg Karel I toch grote financiële steun van de Republiek. Deze steun zou de gehele burgeroorlog blijven voortduren, ook na de onthoofding van Karel I in 1649. 5

In 1647 overleed Frederik Hendrik en volgde de 21-jarige Willem II zijn vader op als stadhouder. Vanaf dit moment mocht Mary zichzelf prinses van Oranje noemen, wat zij met veel trots deed. Dit deed de relatie met haar schoonmoeder, Amalia van Solms, niet veel goed. Deze relatie was vanaf het allereerste begin al niet goed geweest. Amalia had grote moeite met de vooraanstaande positie van haar schoondochter en ergerde zich aan het feit dat Mary haar positie graag uitdroeg naar de buitenwereld. Ze had tevens moeite met de Engelse politiek die haar zoon voerde. Tijdens zijn drieëneenhalf jaar durende stadhouderschap zette Willem II de steun aan Groot-Brittannië namelijk voort. De Republiek hielp de Engelsen niet enkel financieel, maar het diende tevens als toevluchtsoord: Engelse Royalisten vluchtten in grote getalen naar Den Haag, waar zij onderdak kregen van Willem en Mary. Dit leidde tot veel weerstand in de Republiek, men vond dat hiermee een oorlog uitgelokt werd tussen het Engelse parlement en de Republiek. Zo zorgde de Engelse politiek van Frederik Hendrik en Willem II ervoor dat de Oranjes en de Hollandse regenten steeds meer tegenover elkaar kwamen te staan. 6

In 1650 overleed Willem plotseling aan de pokken, een paar dagen voordat zijn zoon ter wereld kwam. Gelijk na de geboorte van het prinsje liepen de spanningen tussen Mary en Amalia hoog op. Mary wilde haar zoon vernoemen naar haar vader en broer, Karel, terwijl Amalia vasthield aan de naam Willem. Deze strijd werd door Amalia gewonnen. Een tweede twistpunt bleek al gauw de voogdij. Willem II had in zijn testament vastgelegd dat na zijn dood de voogdij over eventuele kinderen bij zijn vrouw kwam te liggen, samen met een nog nader aan te wijzen helper. 7 Deze tweede voogd was echter nog niet aangewezen. Dit, en het feit dat het testament niet ondertekend was, greep Amalia aan om ervoor te zorgen dat zij, naast Mary, voogd zou worden en dat de opvoeding van haar kleinzoon niet in Engelse handen kwam te liggen. Dit werd een zodanig groot probleem dat besloten werd de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland te laten beslissen over de zaak. Dit was het hoogste gerecht voor deze provincies. De zaak werd ingediend en onderzocht en uiteindelijk kwam er in augustus 1651 een eindregeling tot stand, waarbij er drie voogden aangewezen werden. Mary moest haar schoonmoeder aanvaarden als medevoogd, samen met de Keurvorst van Brandenburg, die tevens de schoonzoon van Amalia was. Zij hadden gezamenlijk één stem, naast de stem van Mary. 8

Deze zaak en vooral de uitkomst ervan is cruciaal geweest voor de politieke situatie in de Republiek. Het zorgde ervoor dat het verbond dat de Engelsen en de Nederlanders waren aangegaan met het huwelijk tussen Mary en Willem verkilde en daarmee het gezag van de Oranjepartij aanzienlijk minder werd. Zo konden ze het eerste stadhouderloze tijdperk, dat in ging na de dood van Willem II, niet tegenhouden. Een ander gevolg van de voogdijzaak was de bevestiging van de positie van weduwe Mary in de Republiek. Mary moest onder doen voor het gezag van haar schoonmoeder, die een machtiger positie had vergaard. Mary’s positie zou pas verbeteren in 1660, toen er een einde kwam aan de Commonwealth periode en haar broer Karel de Engelse troon besteeg. Dit betekende dat haar zoon plotseling vijfde in lijn was geworden als opvolger voor de Engelse troon. 9 Ook al was haar positie enigszins verbeterd, Mary had besloten om terug te keren naar het Engelse Hof. Ze schreef tijdens de voorbereidingen van haar vertrek naar Engeland aan Karel I dat ze het als de grootste straf zou beschouwen om nog langer in de Republiek te moeten verblijven. 10Twee maanden nadat ze gearriveerd was in haar vaderland volgde voor haar een tragisch einde, evenals haar voormalig echtgenoot overleed ze aan de pokken. Ze was toen 29 jaar oud.

Leren van de geschiedenis

Wat kunnen we nu uit dit voorbeeld afleiden over familieverwantschap? Mary werd geboren in een grote en machtige familie, waarin haar rol al voor haar geboorte was bepaald. Ze was als oudste dochter van de Engelse koning een gewilde huwelijkspartner. Deze rol vervulde ze al op haar negende, toen ze trouwde met Willem II van Oranje. Dit betekende tevens dat ze deel uit ging maken van een nieuwe familie, waar ze een andere rol te vervullen kreeg. Door de goede relatie tussen haar en Willem ging de echtgenote-rol haar goed af en zorgden de spanningen tussen haar en haar schoonmoeder niet tot verdere problemen. De dood van Willem bracht echter een machtvacuüm teweeg, die zowel echtgenote als moeder op wilden vullen, beiden met andere belangen. Mary wilde haar zoon een Engelse opvoeding geven, terwijl Amalia haar kleinzoon wilde opvoeden tot nieuwe stadhouder van de Nederlanden. Doordat Amalia na de dood van Frederik Hendrik een machtige positie voor zichzelf had verworven, kon Mary niet tegen haar op. Mary kon zich niet schikken in haal rol. Misschien omdat ze nog zo jong was toen ze trouwde en in een andere familie terecht kwam, of omdat ze haar belang en dat van haar zoon niet opzij kon zetten. Hoe dan ook, er was maar plaats voor één machtige vrouw binnen het Huis van Oranje en deze rol was al vergaard door Amalia van Solms. De concurrentiestrijd tussen de twee vrouwen liep hoog op, waarbij hun eigenbelang de boventoon voerde. Dit ging ten koste van de familieverwantschap. Er vormden zich twee kampen binnen de familie en binnen de Republiek, waardoor tevens het regeringssysteem uit balans raakte.

Het voorbeeld van Mary Stuart geeft ons een les over de kernwaarden van verwantschap, het familieverwantschapsidee. We kunnen dit zien als voorbeeld waarin deze kernwaarden voorbij werden gestreefd door eigenbelang. De rol die Mary in haar eigen familie en in haar schoonfamilie diende te vervullen stond van te voren vast en ze leek in eerste instantie aan de verwachtingen te voldoen. Totdat haar man stierf en daarmee de familierollen onder druk kwamen te liggen. Mary werd gedwongen om te kiezen voor zichzelf en haar zoon, aangezien haar schoonmoeder dit ook deed. Webers definitie van de dynastie als optimale manifestatie van de familie werd hiermee teniet gedaan. Hieruit blijkt dat het dus belangrijk is om je eigen plaats te kennen binnen een groep. Wat zijn jouw kwaliteiten en hoe kun jij bijdragen aan een harmonieuze samenwerking? Streven naar je eigen bevoordeling is menselijk en kan daarmee niet uitgesloten worden. Toch is het belangrijk je er bewust van te zijn in welke mate je dit doet en in hoeverre dit anderen schaadt. Mary had er bijvoorbeeld wat meer op kunnen vertrouwen dat haar zoon als ‘kind van de staat’ een goede opvoeding zou krijgen en Amalia had anderzijds enigszins kunnen toegeven aan wat Engelse inmenging in de opvoeding. Daarbij leert de plotselinge dood van Willem II ons dat plaatsen kunnen wegvallen en ook weer opgevuld dienen te worden. Dit vereist samenwerking en pragmatische beslissingen. Ten derde kunnen vaste regels voor houvast zorgen, maar kunnen ook tegenwerken. Dit komt doordat je nooit de toekomst kunt voorspellen. Toen Mary’s broer koning van Engeland werd, bracht dit grote veranderingen met zich mee. Om hierop in te kunnen spelen is langetermijn denken vereist en daarmee flexibiliteit.

Kortom, verwantschap heeft een prijs. Deze prijs dien je te betalen wanneer je wilt meewerken aan een groter doel. Het bevorderen van verwantschap in de samenleving begint dus bij het deels loslaten van je eigenbelang en goed na te denken over jouw plaats binnen de samenleving als groter geheel. Zo’n eigen plaats is niet statisch, maar juist voortdurend aan verandering onderhevig, gedreven door je eigen ontwikkeling en de ontwikkeling van anderen. Begin eens bij het analyseren van jouw plaats in je eigen familie op dit moment en eerdere rollen die je hebt vervuld. Vraag jezelf af hoeveel je hebt geleerd van familieverwantschap. Kun jij je identificeren met Mary Stuart of met Amalia van Solms? Waarom (niet)? Je kunt je ervaringen in familieverband meenemen de wereld in. Nadenken over je eigen origine en je eigen waarden van verwantschap is daarbij de eerste stap.


  1. Met de term ‘eigenbelang’ bedoel ik bewust streven naar de bevoordeling van jezelf. En zodanig geen rekening houden met anderen of het overkoepelende belang van een groep.

  2. David Warren Sabean en Simon Teuscher, ‘Kinship in Europe. A New Approach to Long Term Development’, in: David Warren Sabean, Simon Teuscher en Jon Mathieu (eds.), Kinship in Europe. Approaches to long-term development (1300-1900) (New York: Berghahn Books, 2007) 1-32, aldaar 14-15.

  3. Liesbeth Geevers en Mirella Marini, ‘Introduction: Aristocracy, dynasty and identity in early modern Europe, 1520-1700’, in: Liesbeth Geevers and Mirella Marini (eds.), Dynastic Identity in Early Modern Europe. Rulers, aristocrats and the formation of identities (Farnham: Ashgate, 2015) 1-22, aldaar 10-11.

  4. Geevers en Marini, ‘Introduction: Aristocracy, dynasty and identity in early modern Europe, 1520-1700’, 11.

  5. Simon Groenveld, Naspel op Münster: het stadhouderschap van Willem II (Kampen 1968) 10-11.

  6. Pieter Geyl, Oranje en Stuart (Arnhem 1963) 85-93.

  7. Ongedateerd en ongetekend testament van Willem II van Oranje, Nationaal Archief, het Hof van Holland, serie 4: stukken betreffende bestuurlijke taken van het Hof van Holland, 4.4: overige bestuurlijke taken, inventarisnummer 7183: overige stukken betreffende graaf en stadhouders.

  8. Geyl, Oranje en Stuart, 65-67.

  9. Marika Keblusek, ‘Maria Henrietta Stuart I’, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (13-01-2014). Link naar de webpagina: http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/MariaHenriettaStuart>.

  10. Thurloe State Papers I, 662. Link naar de webpagina: http://www.british-history.ac.uk/thurloe-papers/vol1/pp661-675#h3-0013

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *